september-oktober ’16 | nr 5

Inhoud | jaargang 44, nummer 5 |
  • Wie in Palestina is bang voor gemeenteraadsverkiezingen ? (pp. 4-6).
  • Gaza in Context – de noodzakelijke context van het wrede beleg van Israel (pp. 7-8).
  • Deal tussen Turkije en Israel laat de blokkade van Gaza intact (pp. 9-10).
  • Turkije is verscheurd na de coup (pp. 11-13).
  • Aantal Palestijnen in ‘administratieve detentie’ met 50 procent toegenomen (p. 14).
  • Water – schaarste als pressiemiddel (pp. 15-16).
  • De joodse nederzettingenindustrie (pp. 17-19).
  • Israel intensiveert olieboringen op de geannexeerde Hoogvlakte van Golan (pp. 20-21).
  • Palestina bij het Internationaal Strafhof (pp. 22-24).
  • Israel – legitimering van racisme in 10 stappen (pp. 25-26).
  • Netanyahoe: ‘de conflict-premier’ (p. 27).
  • Israelische denktank: spaar de IS – een ‘nuttig instrument’ tegen Iran, Hizbullah, Syrië … (pp. 28-29).
  •   Hillary de havik – een geschiedenis (pp. 30-32).
  • Waarom Washington zich niet van het Midden-Oosten zal afkeren (pp. 33-34).
  • Likoed wordt een Regionaal Lid van het Europees Parlement (pp. 35-36).
  • BDS – The Mogherini Letter (29 augustus 2016) (p. 37).
  • Fact Sheet: Dual use technology – how Europe funds Israeli military companies trough Horizon 2020 (pp. 38-39).
Redactioneel
ondertussen in Palestina en elders

In dit nummer van Soemoed besteden wij aandacht aan de perikelen rond de geplande gemeenteraadsverkiezingen in de sinds 1967 bezette Palestijnse gebieden – de Westelijke Jordaanoever (inclusief Oost-Jeruzalem) en de Strook van Gaza. Wat een eerste stap op de weg naar samenwerking tussen FATAH en HAMAS had moeten zijn, is inmiddels op een deceptie uitgelopen. Want, op basis van een twijfelachtige gerechtelijke uitspraak zullen deze uiteindelijk alleen op de door FATAH gecontroleerde Westelijke Jordaanoever gehouden worden – niet in de Strook van Gaza waar HAMAS het voor het zeggen heeft. Palestijnse politici en anderen die zich al jaren inzetten om een eind te maken aan de politieke verdeeldheid binnen de Palestijnse gelederen, zijn daarmee terug bij af. In Oost-Jeruzalem zal Israel op zijn beurt ook ditmaal de gang van Palestijnen naar de stembus verhinderen (zie: ‘Wie in Palestina is bang voor gemeenteraadsverkiezingen ?’).

Tot wanhoop van veel inwoners van Gaza blijkt Turkije zijn toezegging om een volledig herstel van de betrekkingen met Israel afhankelijk te maken van een eind aan de wurgende blokkade niet nagekomen te zijn (zie: ‘Deal tussen Turkije en Israel laat de blokkade van Gaza intact’). De groeiende binnenlandse en regionale problemen waarmee de Turkse machthebbers te kampen hebben gekregen, heeft hun streven om een deal te sluiten mogelijk versterkt (zie: ‘Turkije is verscheurd na de coup’).

In de sinds 1967 bezette gebieden worden natuurlijke hulpbronnen als water en aardolie door Israel geplunderd en Palestijnse arbeidskracht geëxploiteerd. In het geval van aardoliewinning hebben wij het over de Hoogvlakte van Golan, dat bezet Syrisch grondgebied is (zie: ‘Water – schaarste als pressiemiddel’, ‘Israel intensiveert olieboringen op de geannexeerde Hoogvlakte van Golan’ en ‘De joodse nederzettingen-industrie’).

Het Palestijnse lidmaatschap van het Internationaal Strafhof (sinds 1 april 2015) is een belangrijke stap in de richting van een situatie waarin Israel verantwoording zal moeten afleggen voor de Israelische schendingen van Palestijnse mensenrechten. Het zou kunnen leiden tot berechting van Israelische leiders wegens oorlogsmisdaden. Maar het lidmaatschap van dit hof betekent tevens een test voor de vraag of het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) een zaak standvastig zal doorzetten ondanks verzet van Israel en het Westen (zie: ‘Palestina bij het Internationaal Strafhof’). Ondertussen is er in Israel de alledaagse legitimering van racisme jegens Palestijnen (zie: ‘Israel – legitimering van racisme in 10 stappen’).

Wat de ontwikkelingen in de regio betreft: In Israel blijkt men in salafistisch-jihadistische strijdgroepen in buurland Syrië vooralsnog een nuttig instrument te zien om tegenstanders als Hizbullah en Iran te bestrijden (zie: ‘Israelische denktank: spaar de IS als een ‘nuttig instrument’ tegen Iran, Hizbullah, Syrië …’).

Op 8 november vinden in de Verenigde Staten presidentsverkiezingen plaats. Het begint er steeds meer op te lijken dat de Democratische presidentskandidaat Hillary Clinton deze gaat winnen. In dat geval zou zij de eerste vrouwelijke president van dat land zijn. Maar waar staat zij op het gebied van de buitenlandse politiek eigenlijk voor? Op basis van haar staat van dienst als senator van de Staat New York en later als minister van Buitenlandse Zaken wordt zij gezien als een havik (zie: ‘Hillary de havik – een geschiedenis’). Vanwege de sterk toegenomen machtsontplooiing van Rusland in de Syrische burgeroorlog valt te verwachten dat de nieuw aan te treden regering de confrontatie met Moskou zal aanscherpen. De bemoeienissen van Washington met de  Midden-Oosterse regio zal sowieso groot blijven, ondanks dat de afgelopen acht jaar – onder Barack Obama – de indruk van het tegenovergestelde is gewekt (zie: ‘Waarom Washington zich niet van het Midden-Oosten zal afkeren’).

Tenslotte staan wij stil bij enkele Europese dimensies van de kwestie Israel-Palestina. Zo blijkt de rechts-radicale Israelische Likoed regionaal lid van het Europees Parlement te zijn geworden (zie de bijdrage met de gelijknamige titel). De partij spreekt zich in haar handvest uit tegen de stichting van een Palestijnse staat ten westen van de rivier de Jordaan, wat indruist tegen de officieel beleden positie van lidstaten van de Europese Unie. Tezelfdertijd laat de High Representative en Vice-President of the European Commission, Federica Mogherini, in een brief aan de ECCP weten, dat de Europese Unie zich niet tegen de BDS-campagne keert zolang deze gericht is tegen producten en diensten uit de (volkenrechtelijk illegale) joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, maar zich onomwonden uitspreekt tegen een boycot van Israel als zodanig (zie: ‘BDS – The Mogherini Letter, 29 augustus 2016’). Tegelijk gaat Europese financiering van Israels militair-industrieel complex – steunpilaar van de bezetting en onderdrukking – onder de vlag van Horizon 2020 door (zie: ‘Fact Sheet – Dual use technology – how Europe funds Israeli military companies trough Horizon 2020’). Kortom: de Europese politiek is – op zijn zachtst gezegd – een vat vol tegenstrijdigheden.

 

<strong>De joodse nederzettingen-industrie</strong>

Jonah Walters

De exploitatie van Palestijnen levert de joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever miljarden op. Daardoor beginnen de nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever een risicofactor te worden.

Zelfs functionarissen in Verenigde Staten beginnen vragen te stellen over de bedrijvigheid in de nederzettingen, wat weer verzet oproept bij zionisten in Israel en de Verenigde Staten.

Eerder dit jaar raakte de ambassadeur van de Verenigde Staten in Israel, Daniel Shapiro – bepaald geen antizionist – een open zenuw, toen hij erop wees – wat iedereen al wist: de nederzettingen in bezet Palestina zijn uitgebreid; Israelische ‘burgerwachten’ vermoorden Palestijnen zonder dat zij bang hoeven te zijn vervolging; en voorts joodse kolonisten vallen onder Israelisch civiel recht, terwijl Palestijnen aan militair recht onderworpen zijn.

Een krachtige reactie van de Staat Israel liet niet lang op zich wachten. Premier Benjamin Netanyahoe noemde Shapiro’s opmerkingen onacceptabel. Israels minister van Defensie eiste dat hij zijn woorden terugnam en een voormalig medewerker van Netanyahoe schold de ambassadeur uit. Daarbij gebruikte hij een Hebreeuws scheldwoord dat in rechtse kringen en door Israelische zionisten gebezigd wordt om aan te duiden dat zij hun Amerikaanse gesprekspartner te week of principeloos vinden.

Maar er was niets buitensporigs aan Shapiro’s woorden, zelfs niet naar diplomatieke standaarden. Internationaal gezien is een overgrote meerderheid van mening dat Israels praktijken in de nederzettingen illegaal zijn [te weten: in strijd met het internationaal recht] en gestopt moeten worden.

In januari nam de Raad voor Buitenlandse Zaken van de Europese Unie een resolutie aan, waarin in krachtige bewoordingen de nederzettingen een ‘obstakel voor vrede’ worden genoemd. Eind vorig jaar weigerde Brazilië Israels pasbenoemde ambassadeur vanwege diens banden met de nederzettingen. Niet verbazingwekkend dat Israel hem prompt op een diplomatieke post in de Verenigde Staten zette, waar – Shapiro’s voorzichtige kritiek ten spijt – het politieke establishment de nederzettingen nog altijd gedoogt.

Met betrekking tot de Westelijke Jordaanoever stelde Shapiro de Israelische regering één simpele vraag: ‘Waarom?’ Onder verwijzing naar Israels veronderstelde inzet voor een ‘twee staten-oplossing’, waarvoor de nederzettingen een struikelblok vormen, vroeg hij: ‘Wat is Israels strategie?’

Israels strategie is duidelijk: die is niet gericht op het bewerkstelligen van omstandigheden die de vrede dichterbij brengen, maar op het behalen van winst en het voorkómen van de oprichting van een Palestijnse staat.

er moet winst gemaakt worden

De bezetting betekent voor Israel big business, zoals ook duidelijk wordt uit een recent rapport van de Amerikaanse mensenrechten-organisatie Human Rights Watch (HRW).

Het Israelische establishment karakteriseert de nederzettingen als onschuldige woonsteden, voorstedelijke oases in een verder onbewoonde woestenij, waar jonge joodse gezinnen hun kinderen ver weg van de dure, overbevolkte stadscentra kunnen opvoeden. Maar dit is meer propaganda dan werkelijkheid.

Dat de nederzettingen – in strijd met het internationaal recht – op de Westelijke Jordaanoever voortwoekeren en daarbij Palestijnse grond opslokken, is nog maar een deel van het verhaal.

Veel belangrijker voor het nederzettingenproject zijn de daar gevestigde zogeheten ‘industriezones’: industrieterreinen waar Israelisch kapitaal in de vorm van fabrieken en landbouwprojecten op Palestijnse grond Palestijnse arbeid exploiteert en daarbij voor miljarden dollars per jaar aan producten produceert.

Israel houdt op de bezette Westelijke Jordaanoever ongeveer twintig van dergelijke zones draaiende. Officieel vallen deze industriële zones onder Israelisch beheer. Het gaat daarbij om 1365 hectare grond in zogeheten C-gebied [60 procent van het oppervlakte van de bezette Westelijke Jordaanoever, waar zowel het militair als het civiel bestuur in handen van de Israelische bezettingsmacht ligt; red.]. Voor de Palestijnen is controle over dit gebied van vitaal belang.

De Wereldbank noemt het C-gebied ‘de sleutel tot de economische ontwikkeling’ van Palestina, omdat dit gebied relatief veel bebouwbaar land, water en andere hulpbronnen bevat.

Israels bezetting van dit grondgebied is in strijd met het internationaal recht. Het merendeel behoort toe aan ‘afwezige’ Palestijnen – Palestijnen die als gevolg van Israelische expansie van hun grond zijn verdreven en nooit zijn gecompenseerd voor de bouw van de nederzettingen.

Een deel van tenminste één industriële nederzetting is verrezen op grond die eigendom is van een niet-afwezige Palestijnse eigenaar, wat ook nog eens in strijd is met Israels eigen wetgeving.

Naast de 1365 hectare waarop fabrieken zijn gebouwd – waar van alles wordt geproduceerd, van metalen en plastic goederen tot textiel – is er nog eens 9300 hectare gereserveerd voor landbouwconglo-meraten. Voor industriële en agrarische doeleinden is bijna twee maal zoveel grond gevorderd als voor de woonnederzettingen, die 6000 hectare beslaan.

Hoewel Israelische functionarissen hun lippen stijf op elkaar houden als het om de industriële nederzettingenzones gaat, lijkt het duidelijk dat zakelijke belangen – misschien meer dan iets anders – voorop staan bij de Israelische expansie op de Westelijke Jordaanoever.

aan wie komt deze ontwikkeling ten goede?

Terwijl Israelische bedrijven elk jaar miljoenen dollars in de Bezette Gebieden pompen, hebben sommige waarnemers het lef om te suggereren dat deze investering ten goede komt aan de Palestijnen.

Niet dus. De Wereldbank schat in dat de Israelische praktijken in C-gebied – met inbegrip van grondrestricties en wateropslag – de Palestijnse economie ongeveer 3,4 miljard dollar per jaar kosten, oftewel 35 procent van het Bruto Binnenlands Product van de Westelijke Jordaanoever.

In het onderzoek van HRW wordt een Palestijnse leider aangehaald, die vaststelt dat het weidegebied rond zijn dorp als gevolg van de bouw van een nederzetting is afgenomen en de veestapel geslonken is van 10.000 tot slechts honderd beesten.

Door het afpakken van hun middelen van bestaan, is Israel verantwoordelijk voor toename van de werkeloosheid onder Palestijnen, wat vervolgens een negatieve uitwerking heeft op de hoogte van de lonen. Op hun beurt profiteren daar Israelische werkgevers van, terwijl de Palestijnse werknemers geen kant op kunnen.

Beroofd van hun grond en dankzij het restrictieve Israelische vergunningenbeleid niet in staat om een eigen bedrijf te beginnen, hebben Palestijnen vaak geen andere keus dan te werken voor Israelische werkgevers, door wie zij schandalig onderbetaald en misbruikt worden onder welwillend toezicht van de staat.

De Israelische autoriteiten rechtvaardigen de industriezones in de nederzettingen door te stellen dat deze uitsluitend dienen om aan joodse kolonisten werk te verschaffen. Maar de cijfers tonen aan dat Palestijnen het overgrote deel van de arbeiders in deze industriezones uitmaken.

in 2013 was slechts 6,8 procent van de joodse kolonisten werkzaam in de productie of ontginning, ondanks de uitbreiding van Israelische fabrieken en steengroeven in de nederzettingen. Volgens officiële cijfers werkte in 2009 minder dan 1 procent van de kolonisten op de 10.000 hectare landbouwgrond die in handen is van Israelische bedrijven. Van de 17.000 arbeiders die in 2009 in de nederzettingen werkten, waren 11.000 Palestijn.

Het is op zich niet verwonderlijk dat Palestijnse arbeiders in vergelijking met hun Israelische collega’s slecht behandeld worden.

Palestijnse arbeiders verdienen vaak ongeveer 8 shekel (2 dollar) per uur, ofwel eenderde van het Israelische minimumloon. In 2007 bepaalde het Hooggerechtshof dat de Israelische arbeidswetten gelden voor zowel Palestijnse als Israelische arbeiders, maar de Israelische regering heeft geweigerd om deze uitspraak ten uitvoer te brengen. Zij beweert dat zij niet bij machte is de arbeidsomstan-digheden op de Westelijke Jordaanoever te onderzoeken of het naleven van de arbeidswetten af te dwingen.

Wat de zaak nog verergert, is dat Palestijnse arbeiders voor hun werk in de nederzettingen afhankelijk zijn van door het leger af te geven werkvergunningen, wat hen uiterst kwetsbaar maakt voor de praktijken van kwaadwillende werkgevers.

De industriële zones in de nederzettingen komen de Palestijnen niet ten goede – zij exploiteren hen. Volgens het rapport van HRW is het ontkennen hiervan een ‘goedkoop excuus voor misbruik van arbeidskrachten’. Maar daar trekt de joodse kolonist zich weinig van aan.

het witwassen van de bezetting

Ondanks alle bewijzen van het tegendeel houden sommige joodse kolonisten nog steeds vol dat de bedrijven in de nederzettingen voor de werkgelegenheid voor werkloze Palestijnen in de Bezette Gebieden van vitaal belang zijn. Sommigen gaan zelfs zo ver, dat zij de kolonisten-ondernemers als multiculturele bruggenbouwers omschrijven: door gedeelde arbeid slaan zij een brug tussen joodse Israeli’s en Palestijnen.

Ron Nahman, grondlegger van de grootste industriezone in de nederzettingen en tevens burgemeester van Ariel – een van de oudste en grootste nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever – pareerde in 2000 kritiek aldus: ‘Samen met de Arabieren [Palestijnen] in de omgeving heb ik een beter ontwikkelingsproject opgezet dan welke van de linkse Israelische regeringen ook. Net als alle linkse activisten ben ik vóór vrede.’

Nahmans ‘gezamenlijke ontwikkelingsproject’ blijkt te bestaan uit het exploiteren van goede Palestijnse werkkrachten, waarbij het beheer over vitale natuurlijke hulpbronnen in Israelische handen blijft.

De Israelische autoriteiten papegaaien hem na. Voormalig minister van Economische Zaken, de extreemrechtse Naftali Bennett, noemde de industriezones in de nederzettingen ‘economische bruggen naar vrede’, terwijl de huidige president van Israel, Reuven Rivlin, een van de grootste industriezones binnen de nederzettingen – Barkan – als een ‘spil van co-existentie’ afschildert.

Dat tot voor kort in Barkan een firma was gevestigd die door Palestijnse werknemers is aangeklaagd wegens loondiefstal en discriminatie, schijnt er niet toe te doen. Zoals gewoonlijk voelen zionisten zich in hun vurige verdediging van de bezetting en de exploitatie niet gehinderd door feiten.

Deze retoriek is ook terug te vinden in de Amerikaanse pers, zoals The New York Times. Vorig jaar prees deze krant de illegale vestiging van een Israelische supermarkt op de Westelijke Jordaanoever en noemde dit ‘een symbool van co-existentie’, omdat er zowel Israelische als Palestijnse caissières werkten.

Het bestempelen van de industriezones in de nederzettingen als de spil van de samenwerking is een doorzichtige leugen en leidt de aandacht af van de echte spil in de relaties tussen joodse kolonisten en Palestijnse arbeiders: onteigening en exploitatie.

Een groot deel van de in de nederzettingen geproduceerde goederen wordt geëxporteerd naar buitenlandse afnemers, voornamelijk in de Europese Unie. Meestal staat er op het etiket ‘Made in Israel’ of ‘Product of Israel’, ondanks het feit dat internationale wetgeving deze praktijken verbiedt.

In 2012 meldde Israel aan de Wereldbank dat de export van producten uit de industriezones in de nederzettingen in totaal 300 miljoen dollar bedroeg.

De Wereldbank schat dit cijfer veel hoger in: waarschijnlijk 5,4 miljard dollar per jaar, omdat Israelische bedrijven ruwe grondstoffen en halffabricaten vaak overbrengen binnen de internationaal erkende grenzen van Israel alvorens deze te exporteren.

Eigenlijk zijn de producenten in de Bezette Gebieden zó afhankelijk van buitenlandse consumenten, dat de boekhouders van Barkan schatten dat 80 procent van alle goederen naar landen buiten de regio wordt geëxporteerd.

De noodzaak voor Israel om goederen op buitenlandse markten te verkopen toont het strategisch belang van Boycot, Desinvestering en Sancties (BDS) aan, vooral als het gaat om goederen geproduceerd in de Bezette Gebieden.

De illegale productie van voedsel, metalen en plastic goederen en van textiel op de bezette Westelijke Jordaanoever is uiterst winstgevend voor de Israelische economie. De Palestijnen zelf profiteren er niet van. Integendeel, het is de oorzaak van hun armoede.

Bij het bestrijden van de joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever gaat het niet om verzoening of co-existentie en al helemaal niet om het bevorderen van een zogenaamde twee staten-oplossing, zoals Shapiro leek te suggereren.

De nederzettingen vormen een economisch project, gericht op het in bezit nemen van Palestijnse hulpbronnen en de exploitatie van Palestijnse arbeidskrachten.

De eis tot beëindiging van de bezetting impliceert niets meer of minder dan de eis tot beëindiging van de onderdrukking van [een deel van] de Palestijnen.

bron: Jacobin (New York), 11 juni 2016

Jonah Walters is onderzoeker bij Jacobin en promovendus op de Afdeling Geografie van de Rutgers University, New Jersey

vertaling: Frans Brons

Wilt u een abonnement op Soemoed nemen?