mei-augustus 2016 | nr 3-4

Inhoud | jaargang 44, nummer 3-4 |
  • Al-Nakba – de Palestijnse catastrofe – duurt al 68 jaar (p. 4).
  • De juridische betekenis van ‘joodse staat’ en de Nakba (pp. 5-9).
  • Hoe de Islamitische Staat probeert de Palestijnse zaak te misbruiken (pp. 10-11).
  • Brief aan leden Commissie Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer: de noodsituatie in het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk (p. 12).
  • McCarthyisme in Israel – over een goed georganiseerde campagne tegen Israelische mensenrechtenorganisaties (pp. 13-18).
  • Israel het op één na armste land in de OESO (p. 18).
  • Israels Arbeidspartij kiest voor apartheid (pp. 19-20).
  • Helft joodse Israeli’s steunt ‘transfer’ (verdrijving) Palestijnen (p. 21).
  • Doet het rechtsstelsel van Israel recht aan de Palestijnen ? (pp. 22-27)
  • Israel steeds minder democratisch – nu ook voor joodse Israeli’s (pp. 28-30).
  • Meerderheid Palestijnen tegen twee staten-oplossing (p. 30).
  • Gedicht – Munir Barghouti – Drie Cipressen (p. 31).
  • De rechten van vrouwen in Palestina – gegijzeld door de bezetting (pp. 32-33).
  • Antizionisme en antisemitisme met elkaar verwarren is gevaarlijk voor Palestijnen én joden (pp. 34-35).
  • Dit is niet het moment om toe te geven aan Israelische chicanes over ‘antisemitisme’ (pp. 36-37).
  • Een listige strijd tegen antisemitisme (pp. 39-41).
  • Drie dagen undercover bij een AIPAC-conferentie (pp. 42-47).
Redactioneel
over ‘democratie’ en ‘antisemitisme’

In dit nummer van Soemoed staan wij uitgebreid stil bij onder meer de verslechterde democratische verhoudingen in Israel en bij de doelbewuste begripsverwarring rond antizionisme en antisemitisme.

Maart vorig jaar trad in Israel de meest rechtse regering uit zijn geschiedenis aan. Deze wordt gedomineerd door rechts-radicalen en ultra-religieuze nationalisten en staat opnieuw onder leiding van premier Benjamin Netanyahoe.

Op de hoofdlijnen van het beleid zal een regering van deze samenstelling nauwelijks van invloed zijn: de kolonisatie van Palestijns grondgebied vertoont sinds 1967 een grote mate van continuïteit en datzelfde geldt voor de offensieve militaristische politiek van Israel in de regio. De verschuivingen lagen eerder op het gebied van de binnenlands politieke verhoudingen.

Zo hebben rechts-radicalen en ultra-religieuze nationalisten inmiddels bijgedragen aan een verdere polarisatie, zowel op straat als in het parlement. In de bijdrage van Lihi Ben Shitrit (‘Israel steeds minder democratisch’) wordt uiteengezet hoe nieuwe wetgeving politieke vertegenwoordiging beperkt, de positie van de civil society ondermijnt en de vrijheid van meningsuiting beknot. Niet onverwacht treft deze ontwikkeling eerst en vooral de Palestijnse staatsburgers van Israel.

Maar nu blijkt ook joodse Israeli’s. Peter Dreier (‘McCarthyisme in Israel’) beschrijft in dit verband hoe een fascistoïde joods-Israelische pressiegroep als Im Tirtzu – die zich daarbij gesteund weet door partijen in de regeringscoalitie – een goed georganiseerde campagne voert tegen organisaties van joodse Israeli’s, die zich tegen onderdelen van de Israelische politiek hebben gekeerd: de voortgaande bezetting en kolonisatie, excessief militair geweld, grove mensenrechtenschendingen, enzovoort.

Bij dit alles hebben wij het ongemakkelijke gevoel, dat nu de ontwikkelingen zich in Israel ook tegen een bepaalde categorie joodse Israeli’s beginnen te keren, men zich in de Westerse wereld eindelijk over het democratisch gehalte van Israel zorgen gaat maken. Terwijl in feite joodse Israeli’s – een beperkt aantal van hen en nog altijd in bescheiden mate – inmiddels zelf ervaren wat Palestijnen decennialang hebben moeten ondergaan.

En dan is er de kwestie van de doelbewuste begripsverwarring die rond antizionisme en antisemitisme door Israel en zijn pleitbezorgers in omloop is gebracht.

Antizionisme is fundamentele kritiek op het politieke zionisme – een koloniaal project dat dateert uit het eind van de 19e eeuw, waarbij door vestiging van joodse kolonisten en verdrijving van autochtone Palestijnen wordt toegewerkt naar de omvorming van Palestina in een Joodse Staat. De kolonisatie van Palestina en de verdrijving van Palestijnen worden – kruip door, sluip door – tot op de dag van vandaag doorgezet.

Antisemitisme is het haten van joden omdat zij joden zijn.

Nadat enkele decennialang fundamentele critici van Israel – in de eerste plaats Palestijnen en voorts pleitbezorgers van de rechten van de Palestijnen – door Israel en zijn pleitbezorgers voor ‘terroristen’, respectievelijk ‘terroristen-vrienden’ zijn uitgemaakt, is de laatste jaren tegen hen een nieuwe beschuldiging in omloop gebracht: die van ‘antisemitisme’. De redenering is daarbij de volgende: wie tegen Israel is, is tegen joden en is daarmee een antisemiet. Pure emotionele chantage, bedoeld om fundamentele critici van Israel de mond te snoeren! Maar zionisme staat niet gelijk aan jodendom. Zionisme is een politiek project waarvan de kern vestigings-kolonialisme is. Feitelijk is Palestina anno 2016 – samen met onder meer Koerdistan, de Westelijke Sahara en Tibet – een van de laatste kolonies in de wereld en gaat het de slepende kwestie tussen joodse kolonisten en Palestijnen van alle emoties en valse beelden ontdaan – om een geblokkeerd dekolonisatieproces.

Erg dom zijn degenen die zich in dit verband door de beschuldiging – van antisemitisme laten intimideren of zich gedwongen voelen duidelijk te maken dat zij niet door anti-joodse gevoelens gedreven zijn: de bewijslast ligt bij degene die een dergelijke beschuldiging uit!

Om zich heen slaan met valse beschuldigingen – thans vooral gericht tegen degenen die bij de aan kracht winnende BDS-campagne betrokken zijn – geeft aan dat Israel en zijn pleitbezorgers door hun argumenten heen zijn. Tegen de achtergrond van zich opstapelende, belastende feiten kan dat ook niet anders.

In dit nummer van Soemoed staan wij voorts stil bij de voortgaande Nakba – de catastrofe van 1948 en later, waarvan het drama in het Yarmouk-vluchtelingenkamp bij Damascus een zoveelste hoofdstuk is. Ook volgen wij de ontwikkelingen rond het Internationaal Strafhof en de vervolging van Israel voor begane oorlogsmisdaden in de Strook van Gaza. En tenslotte staan wij stil bij de positie van Palestijnse vrouwen en bij pogingen van de Islamitische Staat (IS) om de Palestijnse zaak voor eigen doeleinden te misbruiken. Tegen de achtergrond van de diepe crisis in Palestijnse kring (zie daarover het vorige nummer van Soemoed) is dit laatste een ontwikkeling die onze aandacht ten volle verdient.

Brief aan de leden Commissie Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer

Aan de leden Commissie Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer

NOODSITUATIE IN HET PALESTIJNSE VLUCHTELINGENKAMP YARMOUK IN DAMASCUS, SYRIË

Hierbij willen ondergetekenden uw aandacht vragen voor het volgende:

Afgelopen week is de toch al zeer dramatische situatie in het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk in Damascus verder verslechterd, nadat strijders van de Islamitische Staat (IS) het kamp zijn binnengevallen om daar hun rivaal, Jabhat al-Nusra – de Syrische tak van al-Qa’ida – aan te vallen. Jabhat al-Nusra is daarbij voor de keus gesteld om zich aan het gezag van de IS te onderwerpen of uitgeschakeld te worden. Bij de gevechten zijn opnieuw burgers omgekomen en hun leefomstandigheden zijn er – zo mogelijk – nog verder door verslechterd.

Het vluchtelingenkamp Yarmouk is na hun massale verdrijving in 1948 door Israel een toevluchtsoord van Palestijnse vluchtelingen geworden. In de loop der jaren is het uitgegroeid tot een stadswijk van zuid-Damascus, waar vóór het uitbreken van de burgeroorlog in 2011 rond 160.000 Palestijnen (evenals enkele duizenden Syriërs) woonden.

Hoewel de inwoners van het Yarmouk-kamp zich afzijdig wilden houden van het conflict dat in maart 2011 tussen het Assad-regime en de Syrische oppositie uitbrak, zijn zij al snel in de tumultueuze ontwikkelingen meegezogen.

Zo vielen in december 2012 het Free Syrian Army (FSA) en Jabhat al-Nusra het strategisch gelegen kamp binnen om daar een eind te maken aan de macht van een Palestijnse pro-Assad-regime-militie, het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina-Algemeen Commando.

Door het Assad-regime is de overname van het kamp door zijn tegenstanders beantwoord met beschietingen, als gevolg waarvan grote delen van het kamp in puin zijn gelegd. Daar bovenop is in juli 2013 door het Assad-regime een algehele blokkade van het kamp ingesteld, die tot de dag van vandaag voortduurt.

De massale uittocht van bewoners was toen al begonnen: in enkele weken tijd zou het aantal inwoners afnemen van rond 160.000 tot zo’n 18.000 (sommige bronnen spreken over 6000). De achterblijvers – die vaak niet wisten waar zij naartoe moesten gaan – is het al snel aan elementaire levensbehoeften gaan ontbreken: voedsel, medicijnen en medische zorg. Water en elektriciteit waren toen al afgesneden.

Geschokt hebben wij de beelden gezien van uitgehongerde inwoners. Nadien zijn enkele honderden van hen zijn door honger of het ontbreken van medische zorg gestorven. In die dagen kwalificeerde de UNRWA de situatie al als ‘beyond inhumane’.

In april 2015 is de IS voor het eerst het Yarmouk-kamp binnengevallen om samen met Jabhat al-Nusra een eind te maken aan de groeiende macht van de Palestijnse militie Aknaf Bayt al-Maqdis. Dat leidde opnieuw leidde tot burgerdoden en verwoestingen, vooral ook door de inzet van alles en iedereen vernietigende barrel bombs door het Assad-regime. Nadat Jabhat al-Nusra en de IS in hun opzet waren geslaagd, trok de IS zich uit het kamp terug.

Zoals gezegd, is de IS de afgelopen week het Yarmouk-kamp opnieuw binnengevallen, ditmaal om gewapenderhand een geschil met zijn rivaal Jabhat al-Nusra uit te vechten. De timing van de aanval in de strategisch gelegen stadswijk van Damascus is volgens waarnemers tevens ingegeven door de noodzaak om daar druk op te bouwen, nu de IS elders in het nauw is gedreven door de gecombineerde militaire macht van zijn binnenlandse en buitenlandse tegenstanders.

Hoe de IS het kamp, dat aan een volledige blokkade door het Assad-regime blootstaat, binnen heeft kunnen komen, is niet duidelijk. Volgens waarnemers wijst het op betrokkenheid van het Assad-regime, volgens het aloude principe van verdeel & heers.

***

Met klem vragen wij parlementariërs om de Nederlandse regering ertoe aan te zetten haar invloed internationaal aan te wenden om te voorkomen dat de inwoners van het Yarmouk-kamp vermalen worden in een strijd die over hun hoofd wordt uitgevochten.

Concreet moeten via de UNRWA met spoed voedsel en medicijnen het kamp binnengebracht worden en moeten gewonden en zieken naar elders overgebracht worden.

Om een werkelijke verbetering in de situatie te brengen, zouden de gewapende milities het kamp moeten verlaten en de blokkade opgeheven moeten worden.

Wij beseffen dat dit laatste het vermogen van de Nederlandse regering te boven gaat. Niettemin kan zij internationaal druk uit oefenen, dat de wereld niet passief kan (blijven) toekijken hoe een gemeenschap van Palestijnse vluchtelingen ten onder gaat.

HELP DE INWONERS VAN HET YARMOUK-KAMP !

Vlaardingen – Amsterdam, 19 april 2016

Al-Awda (de Terugkeer), de Palestijnse Gemeenschap in Nederland, de Palestijnse Vrouwenunie & het Nederlands Palestina Komitee

Doet het rechtsstelsel van Israel recht aan de Palestijnen ?

James Marc Leas

Toen de aanklager bij het Internationaal Strafhof (ICC) aankondigde een vooronderzoek te openen naar de situatie in Palestina, reageerde de Israelische minister-president Benjamin Netanyahoe volgens The Jerusalem Post als volgt:

Israel ‘handhaaft de hoogste volkenrechtelijke normen’ en zijn handelen is ‘onderworpen aan de voortdurende en zorgvuldige toetsing door Israels wereldbefaamde en uiterst onafhankelijke rechtsstelsel’.

Een centraal element in het Statuut van Rome – het oprichtingsverdrag van het Strafhof dat de regels bevat die voor het Strafhof gelden – is de eis dat als een staat zelf waarachtige onderzoeken en vervolgingen instelt, het Strafhof dat respecteert. Dit beginsel wordt ‘complementariteit’ genoemd. Het ontvankelijkheidsbeginsel houdt in dat het Hof Israeli’s vrijstelt van onderzoek door het Hof in geval het Israelische rechtsstelsel onderzoeken en vervolgingen instelt. Ditzelfde beginsel kent echter een belangrijke uitzondering: wanneer het vooronderzoek van de aanklager uitwijst dat het Israelische rechtsstelsel voldoende tekortkomingen vertoont, en als de zaken voldoende ernstig zijn, dan kan volgens het Statuut van Rome (als de drie rechters van de Raadkamer van het Hof akkoord gaan) de aanklager weigeren zaken aan het Israelische rechtsstelsel over te laten of hij kan een al genomen besluit van die strekking terugdraaien, zodat het Strafhof zijn eigen onderzoek en vervolging kan instellen in Den Haag.

Concreet bepaalt het Statuut van Rome dat een zaak niet tot het Strafhof toegelaten kan worden indien de zaak wordt of is onderzocht of vervolgd door een staat die er rechtsmacht over heeft, ‘tenzij de staat niet bereid of niet in staat is het onderzoek of de vervolging waarachtig uit te voeren’.

Een van de maatstaven aan de hand waarvan het Hof bepaalt of de staat ‘niet bereid’ is, is of ‘de procedures van de staat bedoeld zijn om de persoon af te schermen tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid voor misdrijven binnen de rechtsmacht’ van het Strafhof. Een tweede is of ‘er een ongerechtvaardigde vertraging in de procedure is opgetreden’. En een derde maatstaf is of ‘de procedure niet werd of wordt gevoerd op een onafhankelijke of onpartijdige wijze’.

Tijdens het vooronderzoek, dus voordat tot een strafrechtelijk onderzoek overgegaan wordt, zal de aanklager een inschatting maken of het Israelische rechtsstelsel aan deze criteria beantwoordt met betrekking tot zaken die door Palestijnse slachtoffers worden aangebracht. Dat betekent dus dat, als Netanyahoe gelijk heeft, en als dus de zaken die bij het Strafhof aanhangig worden gemaakt onderzocht of vervolgd worden in een onafhankelijk en onpartijdig Israelisch rechtsstelsel, en als er in de procedures in het Israelische rechtsstelsel niets is dat berechting van de verantwoordelijke militaire en politieke leiders zonder ongerechtvaardigde vertraging verhindert, dan bepaalt het Statuut van Rome dat de aanklager het Israelische rechtsstelsel moet respecteren en de procedures bij het Strafhof moet beëindigen.

Krachtens het Statuut van Rome heeft de Israelische regering het dus in haar macht ervoor te zorgen dat het Strafhof nooit enige zaak tegen een of meer van haar burgers in overweging neemt, eenvoudig door te verzekeren dat haar rechtsstelsel beantwoordt aan de door Netanyahoe geformuleerde voorwaarden.

voldoende ernstig?

Een andere manier waarop Israel een beoordeling door het Internationaal Strafhof krachtens het Statuut van Rome kan vermijden, is door massale aanvallen te vermijden, officiële vredeshandhavende en humanitaire faciliteiten en medewerkers niet tot doelwit te maken, en te vermijden dat het misdaden begaat waarover het Strafhof rechtsmacht heeft en die deel uitmaken van een plan of een beleid.

Op basis van die criteria sprak de aanklager bij het Strafhof bij voorbeeld uit, dat de aanval op het schip Mavi Marmara in 2010 – waarbij Israelische militairen 10 burgers om het leven brachten en 50 tot 55 burgers verwondden – ‘niet voldoende ernstig was om verdere actie door het Hof te rechtvaardigen’.

Echter, toen de Raadkamer van het Hof het beroep tegen deze beslissing van de aanklager behandelde, hebben de rechters bij meerderheid de beslissing teruggedraaid. De rechters spraken uit dat elk van de volgende punten reden voor de Raadkamer was om vast te stellen dat er voldoende ernst was:

  • het aantal slachtoffers
  • de aard van de gestelde oorlogsmisdrijven
  • de mishandeling van de passagiers van de Mavi Marmara, die de oorlogsmisdrijven marteling of onmenselijke behandeling zou kunnen inhouden
  • het mogelijke gebruik van scherpe munitie vanaf Israelische raceboten en helikopters voordat Israelische militairen aan boord van het schip gingen (een aanwijzing dat er vooraf een bedoeling en een plan was om ongewapende burgers aan te vallen en te doden)
  • de wrede behandeling en mishandeling van de gedetineerde passagiers toen zij in Israel waren (hetgeen ook een officiële goedkeuring suggereert van een dergelijke behandeling toen de passagiers aan boord van het schip waren)
  • het feit dat bepaalde passagiers een groot aantal malen in het gezicht werden geschoten
  • het verbergen van bewijsmateriaal doordat alle opnamen van de gebeurtenissen in beslag genomen werden
  • de uitwerking die de aanval had op de familieleden van de slachtoffers
  • de uitwerking die de aanval had op het publiek
  • de krachtige boodschap die de aanval uitzond naar de bevolking van Gaza

Dienovereenkomstig verzocht de Raadkamer de aanklager de zaak te heroverwegen.

De aanklager ging in beroep tegen de beslissing van de Raadkamer, maar op 6 november 2015 werd dat beroep door de Kamer van Beroep verworpen. Verwacht wordt daarom dat de aanklager de zaak weer opneemt en het vooronderzoek voortzet, wat mogelijk leidt tot onderzoek naar en vervolging van Israeli’s die betrokken waren bij – of verantwoordelijk waren voor – de aanval op de flottielje.

De Israelische regeringspolitiek om [ten behoeve van zijn joodse staatsburgers] nederzettingen te bouwen op de bezette Westelijke Jordaanoever, zal op zichzelf waarschijnlijk al als voldoende ernstig beschouwd worden. Hetzelfde geldt voor de massale aanval door de Israelische Strijdkrachten op Gaza in de zomer van 2014, waarbij deze duizenden Palestijnen om het leven brachten en verwondden, duizenden huizen verwoestten en ook scholen, boerderijen en ziekenhuizen verwoestten. In aanmerking genomen dat in de zaak van de Mavi Marmara de uiteindelijke beslissing is dat het allemaal voldoende ernstig was, hebben de Israelische politieke en militaire leiders er waarschijnlijk geen enkel vertrouwen in, dat de weging van de ernst het Hof zal afhouden van verdere actie aangaande de situatie in Palestina en misdrijven die daar mogelijk begaan zijn.

nederzettingen in bezet gebied

De aanklager zal een oordeel geven over de vraag of het Israelische rechtsstelsel wel of niet bereid is waarachtige onderzoeken en vervolgingen naar zijn burgers in te stellen voor daden gepleegd tijdens de aanval op Gaza van 2014. De eenvoudigste beslissing voor haar betreft mogelijk de nederzettingen ‘slechts-voor-joden’ op de Westelijke Jordaanoever: het Israelische Hooggerechtshof heeft de deur hard dichtgeslagen voor een toetsing van de nederzettingenkwestie.

Het Statuut van Rome beschouwt ‘de verplaatsing, rechtstreeks of zijdelings, door de bezettende mogendheid van delen van haar eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied’ als een oorlogsmisdrijf. Het Israelische Hooggerechtshof heeft echter besloten de nederzettingen ‘slechts-voor-joden’ niet als illegaal te bestempelen.

Een illustratie van het Israelische rechtsstelsel is dat het Israelische Hooggerechtshof, in zijn rol als Hooggerechtshof, in de zaak Bargil tegen de regering van Israel op 25 augustus 1993 besloten heeft zich niet uit te spreken over de vraag of de nederzettingen legaal zijn. Daarbij was de motivering dat de nederzettingen een politieke kwestie zijn en dat de beslissing overgelaten moest worden aan andere overheden. Aldus heeft het Israelische rechtsstelsel zichzelf duidelijk neergezet als niet bereid of in staat om onderzoeken en vervolgingen in te stellen naar die politieke en militaire leiders, die verantwoordelijk zijn voor de nederzettingen, noch naar de kolonisten die zich bezighouden met de nederzettingen, noch naar de militairen die de kolonisten en de nederzettingen beschermen, noch naar de eigenaren en medewerkers van particuliere bedrijven die de nederzettingen faciliteren. Tenzij het Israelische Hooggerechtshof op zijn besluit terugkomt, kan het oorlogsmisdrijf ‘verplaatsing van de eigen bevolking naar het bezet gebied’ alleen onderzocht en vervolgd worden als het Internationaal Strafhof de zaak opneemt of, als dat niet gebeurt, als de Algemene Vergadering van de VN een bijzonder tribunaal instelt dat dit doet.

er is bewijs dat het Israelische rechtsstelsel gebrekkig is

Gezaghebbende bronnen binnen en buiten de overheid hebben beschrijvingen gegeven waaruit blijkt dat in Israel de civielrechtelijke en strafrechtelijke stelsels ver verwijderd zijn van de bovengenoemde gloedvolle beschrijving van Netanyahoe. Het is mogelijk dat de aanklager en de Raadkamer dergelijk gezaghebbend bewijsmateriaal voldoende overtuigend vinden om te besluiten zaken niet over te laten aan onderzoek en vervolging door de Israelische overheid.

Een op 21 januari 2015 door het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken uitgegeven rapport, sprak bij voorbeeld uit: ‘Wij blijven bezorgd over het dubbele rechtsstelsel dat geldt in Israel en de bezette Palestijnse gebieden. Alle Palestijnen, behalve degenen die in Oost-Jeruzalem wonen, staan bloot aan berechting door Israelische militaire rechtbanken, ongeacht wat de aanklacht tegen hen is, terwijl Israelische [joodse] kolonisten berecht worden in Israelische burgerlijke rechtbanken.’

Het ‘Land-rapport aangaande de Mensenrechten voor 2014, Israel en de Bezette Gebieden’ van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigt het Britse rapport over gescheiden en ongelijke rechtsstelsels:

Niet-Israelische ingezetenen van de door Israel bezette Hoogvlakte van Golan vielen onder dezelfde wetten als Israelische burgers. Mensen van Palestijnse afkomst die geen Israelisch burger zijn en die om veiligheidsredenen gedetineerd waren, vielen onder de militaire rechtsmacht, zelfs als zij gedetineerd waren in Israel. (…) De meeste Palestijnse minderjarigen (onder de 18) die op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza waren gearresteerd, werden door de overheid vastgehouden in gevangenissen in Israel, maar zij werden vervolgd krachtens het Israelische militaire recht dat voor de bezette gebieden geldt, wat betekent dat zij veel rechten ontberen, die zij onder het Israelische recht wel zouden hebben.

Ook geeft ditzelfde Amerikaanse rapport bijzonderheden over het stelsel van ‘administratieve detentie’ zonder proces, dat exclusief voor Palestijnen is weggelegd. ’De Wet op Noodbevoegdheden van 1979 geeft het Ministerie van Defensie de mogelijkheid mensen zonder aanklacht in administratieve detentie te nemen, zes maanden lang, en dat kan onbeperkt steeds weer verlengd worden.’

Het rapport bevat ook beschuldigingen van marteling en misbruik in het Israelische rechtsstelsel, exclusief gericht op Palestijnen. Het rapport zegt dat ‘mensenrechtenorganisaties stelden dat afranselen en een persoon dwingen om langdurig een gespannen houding vol te houden, behoorden tot de verhoormethodes die bij de [Israelische] wet geoorloofd zijn en ook door [Israelisch] veiligheidspersoneel gebruikt werden’. Ook stelt het rapport: ‘Niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) bleven kritiek leveren op andere beweerde detentiepraktijken die zij als corrupt bestempelden, waaronder eenzame opsluiting, slaapdeprivatie en psychologische kwelling, zoals dreigementen om familieleden te verhoren of het huis van het gezin te verwoesten.’ Het rapport beschrijft de beweerde marteling van de Palestijn Arafat Jaradat, die in detentie overleed in de Megiddo gevangenis in Israel.

Deze rapporten van de Britse en Amerikaanse Ministeries van Buitenlandse Zaken stemden overeen met het rapport van de VN-Onderzoeksmissie inzake het Conflict in Gaza, dat op 25 september 2009 verscheen:

De Missie benadrukt dat het een verplichting van de staat Israel is om doeltreffend onderzoek en, waar nodig, vervolging in te stellen aangaande daden door zijn vertegenwoordigers of door derden inzake levensberoving, ernstige verwonding en marteling, of onmenselijke of mensonterende behandeling of bestraffing, en andere mogelijke schendingen van het internationaal humanitair recht en de rechten van de mens. De missie is er bezorgd over dat de feiten die zij aangetroffen heeft erop wijzen, dat Israel in gebreke blijft dit te doen met betrekking tot bovengemelde daden die jegens Palestijnen zijn gepleegd. [1436] (…) De Missie is ook ernstig bezorgd over het toegenomen gebruik van geweld, ook het gebruik van dodelijk geweld, als reactie op demonstraties, en over het wijdverbreide geweld door veiligheidstroepen tegen Palestijnen die leven onder de bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Een bijzondere zorg geldt de klaarblijkelijk stelselmatige afwezigheid van verantwoordingsplicht voor gewelddaden die Israelische veiligheidstroepen begaan hebben jegens Palestijnse burgers. [1438]

De VN-Onderzoeksmissie markeerde haar zorg over het Israelische rechtsstelsel als volgt:

In een artikel ‘De prijs van interne juridische oppositie tegen schendingen van de mensenrechten’, waarin de praktijk van de mensenrechten in Israel in de loop van 35 jaar behandeld wordt, concludeert Michael Sfard, een prominente Israelische mensenrechtenadvocaat, ‘door petities tot het Israelische Hooggerechtshof te richten, handelen Israelische mensenrechtenadvocaten als public relations-functionarissen voor de bezetting, door het idee te verbreiden dat Palestijnse inwoners hun toevlucht tot de justitie kunnen nemen.’ [FN 762]

De VN-Onderzoeksmissie stelde ook dit vast:

[…] Als kolonisten worden veroordeeld, zijn de vonnissen naar verluidt zeer licht. Deze praktijk moet afgezet worden tegen de grove behandeling en bestraffing die ten deel valt aan Palestijnen die Israeli’s iets aandoen. Dit is beschreven als discriminerend beleid. Evenzo, als leden van de strijdkrachten gewelddaden plegen tegen Palestijnen, met inbegrip van om het leven brengen, ernstige verwonding en andere ernstige feiten, wordt er zeer zelden tegen hen opgetreden. Informatie die de Missie ter beschikking staat, wijst op stelselmatige afwezigheid van verantwoordingsplicht van leden van de strijdkrachten voor dergelijke daden. [1825] (…) De Missie concludeert dat er ernstige twijfel bestaat aan de bereidheid van Israel om waarachtig onderzoek uit te voeren op een onpartijdige, onafhankelijke, snelle en doeltreffende manier zoals het volkenrecht dat vereist. De Missie is ook van oordeel dat het Israelische stelsel inherent discriminerende trekken bevat waarvan bewezen is dat zij het voor Palestijnse slachtoffers zeer moeilijk maken hun recht te halen. [1832]

De Israelische regering heeft zelf ernstige tekortkomingen in het Israelische rechtsstelsel vastgesteld. Premier Netanyahoe heeft een officiële Israelische regeringscommissie onder leiding van voormalig opperrechter Jacob Turkei ingesteld om het flottielje-incident van 2010 te onderzoeken. Die commissie kreeg voorts de opdracht te onderzoeken hoe Israel omgaat met klachten dat het de volkenrechtelijke regels aangaande gewapende conflicten schond.

Het rapport van de commissie-Turkei bevestigde weliswaar de standpunten van de Israelische regering over de flottielje en de blokkade van Gaza, en het zuiverde Israelische militairen van alle blaam, maar in dit rapport, aan premier Netanyahoe uitgebracht in februari 2013, werden wel 18 aanbevelingen gedaan.

De eerste van deze aanbevelingen stelde vast dat misdrijven die in het internationaal strafrecht erkend zijn, ook de oorlogsmisdrijven die voorkomen in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, niet voorkomen in het Israelische strafrecht. De commissie deed de aanbeveling dat Israel wetgeving zou aannemen die deze oorlogsmisdaden in het binnenlandse Israelische strafrecht illegaal zou maken.

Premier Netanyahoe heeft vervolgens een tweede commissie benoemd onder leiding van Joseph Ciechanover om de uitvoering te regelen van de aanbevelingen van de commissie-Turkei. De Israelische mensenrechtenorgani-satie Yesh Din heeft in oktober 2015 een analyse van deze 18 aanbevelingen gepubliceerd waaruit blijkt dat er nog geen actie is ondernomen om de in het Statuut van Rome genoemde misdrijven in de Israelische wetgeving op te nemen.

Aangezien Israel oorlogsmisdrijven niet in zijn binnenlandse wetgeving opgenomen heeft toen de commissie-Turkei in 2013 de aanbeveling deed, kunnen de sinds 13 juni 2014 gepleegde daden die volgens het Statuut van Rome oorlogsmisdaden kunnen zijn, niet door het Israelische rechtsstelsel onderzocht en vervolgd worden.

Israels eigen officiële commissie-Turkei drong erop aan de kloof te dichten tussen het binnenlandse strafrecht en oorlogsmisdrijven krachtens het Statuut van Rome, om aldus Israeli’s effectief te vrijwaren van vervolging door een internationaal tribunaal. Israels politieke leiders hebben nagelaten dat te doen. Israels politieke en militaire leiders moeten beseffen dat de aanklager van het Strafhof daardoor waarschijnlijk niet zal vaststellen dat het Israelische rechtsstelsel bereid en in staat is zijn burgers aan onderzoek en vervolging te onderwerpen wegens daden die volgens het Statuut van Rome oorlogsmisdaden kunnen zijn.

Ook in strijd met Netanyahoes bewering over het Israelische rechtsstelsel is dat het op 22 juni 2015 uitgebrachte rapport van de Onafhankelijke Commissie van Onderzoek van de VN-Raad voor de Rechten van de Mens zegt:

De commissie is er bezorgd over dat voor schendingen van het internationaal humanitair recht en de internationale rechten van de mens die gepleegd zouden zijn door Israelische strijdkrachten over de hele linie straffeloosheid heerst, of het nu gaat om actieve vijandelijkheden in Gaza of over levensberoving, marteling en mishandeling op de Westelijke Jordaanoever. Israel moet breken met zijn recente jammerlijke staat van dienst waar het gaat om het ter verantwoording roepen van mensen die zich misdragen, niet alleen als middel om gerechtigheid te verkrijgen voor de slachtoffers, maar ook om te zorgen voor de noodzakelijke garanties om herhaling te voorkomen.

Een feitenonderzoek door het Palestinian Center for Human Rights (PCHR) geeft de resultaten van 409 strafklachten die zijn ingediend bij de Israelische militaire procureur-generaal in de maanden na Israels massale militaire offensief tegen Gaza – eind 2008, begin 2009. De klachten betroffen een hele reeks oorlogsmisdrijven, waaronder ‘opzettelijk doden, burgers en burgerlijke doelen rechtstreeks tot doelwit maken, grootschalige verwoesting van eigendommen en lukrake aanvallen’. Na drie jaar ontving PCHR slechts twee inhoudelijke reacties. Een daarvan hield in dat de zaak gesloten was, en de ander dat de militair veroordeeld was voor de diefstal van een credit card en tot 7,5 maanden celstraf veroordeeld was. De PCHR verklaarde:

Het is de ondubbelzinnige conclusie van de PCHR dat de Israelische overheid volledig gefaald heeft in haar wettelijke verplichting om doeltreffend strafrechtelijk onderzoek in te stellen met betrekking tot beschuldigingen van internationale misdrijven, hetgeen de slachtoffers in de Strook van Gaza het fundamentele recht op verhaal en de wettelijke bescherming op voet van gelijkheid onthoudt.

Het is duidelijk dat de toevlucht nu genomen moet worden tot mechanismen van het internationaal strafrecht. Deze zaken moeten onderzocht worden door het Internationaal Strafhof. Aan de rechten van slachtoffers moet worden vastgehouden, en de verantwoordelijken moeten ter verantwoording geroepen worden.

Het rapport van de PCHR wees ook op ernstige fouten in het Israelische rechtsstelsel, want de Israelische militaire procureur-generaal, bij wie klachten moeten worden ingediend, heeft tegenstrijdige rollen.

Een brief van drie pagina’s die B’Tselem, het Israelische Informatiecentrum voor Mensenrechten in de Bezette Gebieden, op 4 september 2014 schreef aan de Israelische Militair Procureur voor Operationele Zaken, en een gedetailleerder artikel van 5 september 2014 beschrijven hoe van het leger verwacht wordt dat het zichzelf onderzoekt. De brief beschrijft ook hoe de dubbelrol van de militaire procureur-generaal tot een ingebakken belangenverstrengeling leidt en onafhankelijk en onpartijdig onderzoek van door Israelische Strijdkrachten bedreven misdaden onmogelijk maakt. De brief zegt dat er geen mechanisme bestaat om de betrokkenheid van hooggeplaatste politieke functionarissen en militaire commandanten bij onwettige activiteiten te onderzoeken. Ook beschrijft de brief hoe de procedure die gevolgd wordt voor het instellen van een operationeel onderzoek voordat een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wordt tot vele maanden oponthoud leidt, waardoor de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen door militairen aangetast wordt.

De brief van B’Tselem beschrijft gevolgen van dit gebrekkige proces betreffende de zware aanvallen op Gaza in 2008/2009 en in 2012, en voorspelt soortgelijke mislukkingen met betrekking tot de aanval van 2014, want ‘Israels wetshandhavingsstelsel blijft onveranderd’. B’Tselem heeft zijn punt kracht bijgezet door in zijn brief aan de Israelische militaire procureur voor operationele zaken te stellen dat het:

‘heeft besloten u dergelijke informatie [over incidenten tijdens de operatie van de zomer 2014 waarin wetsovertredingen vermoed worden] niet te sturen, en het Bureau van de Militaire Procureur-Generaal (MPG) geen enkele bijstand te geven in zaken die een dergelijk onderzoek betreffen (…) Wij zijn tot dit standpunt gekomen in het licht van onze ervaring met eerdere militaire acties in Gaza, waaruit blijkt dat onderzoeken die door het Bureau van de MPG geleid worden geen verantwoordingsplicht bevorderen voor personen die voor dergelijke schendingen verantwoordelijk zijn, en niet de waarheid onthullen.

Een rapport dat B’Tselem in juni 2015 uitgaf, beschrijft hoe routine-goedkeuring van vorderingen voor inbewaringstelling – hechtenis voor de duur van alle juridische procedures – voor Palestijnen die aangeklaagd worden in Israels militaire gerechtshoven nadelig werkt voor de rechtsgang. ‘Deze façade van correctheid maskeert een van de onrechtvaardigste instellingen van de bezetting.’

Adalah, het Juridisch Centrum voor Arabische Mensenrechten in Israel, heeft in 2013 een stuk gepubliceerd dat de procedurele en financiële barrières beschrijft die Israel opgeworpen heeft en die Palestijnse slachtoffers van Israels militaire acties in Gaza beletten bij Israelische gerechten zaken aanhangig te maken en rechtsherstel te verkrijgen.

Het stuk van Adalah beschrijft dat tot de hindernissen die opgeworpen worden in de Israelische ‘wet op onrechtmatige daden’, zoals die gewijzigd is voor inwoners van de Westelijke Jordaanoever en Gaza, onder andere de eis behoort dat binnen 60 dagen van het beweerde wangedrag door de Israelische overheid aangifte wordt gedaan, en ook een verjaringstermijn die van zeven jaar voor andere gedingen verminderd is tot twee jaar voor deze gedingen. Israel heeft Gaza in 2007 tot vijandelijke entiteit verklaard en de bevolking sancties opgelegd; daarbij werden alle in- en uitgaande bewegingen verboden, ook die voor het deelnemen aan of het voltooien van gerechtelijke procedures in Israel. Israel heeft ook Israelische advocaten verboden Gaza binnen te gaan zonder toestemming van de militaire commandant. Zo wordt dus het gewone juridische werk onmogelijk – ook besprekingen tussen eiser en advocaat, bezoeken aan de plek van de gebeurtenis, getuigenverhoren en het ondertekenen van stukken die nodig zijn om binnen de gegeven korte termijnen aangifte te doen en procedures te beginnen – en rechtszaken worden afgewezen op verzoek van de staat of op initiatief van de rechter wegens het niet halen van de tijdslimiet, ook al beheerst de staat de grens en maakt hij daar gebruik van door onmogelijk te maken dat de tijdslimiet gehaald wordt.

Bovendien vrijwaart de wet op onrechtmatige daden de staat van civiele aansprakelijkheid ‘voor een daad die verricht wordt tijdens een militaire operatie van de Israelische strijdkrachten’, zelfs als de daad die de dood, verwonding of beschadiging van eigendom tot gevolg had een schending van het oorlogsrecht was. Aldus ontloopt de staat de verantwoordelijkheid voor schendingen van het oorlogsrecht.

Ook meldt Adalah dat de staat van elke eiser voor elke rechtszaak een hoog tarief vraagt, officieel om de kosten van de staat te dekken, maar de uitwerking is dat mensen worden afgehouden van gerechtelijke stappen en dat slachtoffers die zaken aanhangig maken gedwongen worden de dader schadevergoeding te betalen.

Adalah concludeert daarom dat, hoewel de Israelische wetgeving en jurisprudentie aan Palestijnse slachtoffers van de Israelische strijdkrachten het recht garandeert om verhaal te halen, hun dat recht in de praktijk onthouden wordt door de hindernissen die de staat Israel opwerpt. De slachtoffers zijn zonder verhaal.

‘Terwijl Israel deze barrières in het leven riep, stelde het tegelijkertijd tegenover buitenlandse gerechten en andere internationale fora dat deze slachtoffers bij de Israelische rechtbanken doeltreffend verhaal hadden’, aldus het stuk van Adalah.

Zo omschrijft ook een opiniestuk in de Los Angeles Times, van de hand van George Bisharat, hoogleraar aan de University of California, Hastings College of Law in San Francisco, het Israelische strafrechtsstelsel zoals dat wordt toegepast op Palestijnen:

Voor Palestijnen zijn Israelische militaire rechtbanken plekken van onderdrukking, geen huizen van gerechtigheid. Volgens de documentatie van de Israelische Strijdkrachten werden Palestijnse verdachten die in 2010 terechtstonden in 99,74 procent van de zaken schuldig bevonden. De procedures worden gevoerd in het Hebreeuws, wat weinig Palestijnen spreken. Rechters en aanklagers leggen verantwoording af aan de hogere militaire autoriteiten, dus de militaire tribunalen zijn niet volledig onafhankelijk. De rechtbanken mogen administratieve detentie telkens met zes maanden verlengen, onbeperkt. Sommige Palestijnen hebben op die manier jaren vastgezeten, waarbij zij nooit het recht gehad hebben om met getuigen geconfronteerd te worden en aan hun vragen te stellen, of zelfs maar te weten welke verklaringen tegen hen zijn afgelegd. (…) Israelische rechtbanken doen mogelijk recht aan joden die in Israel of de bezette Palestijnse gebieden wonen. Maar een rechtsstelsel dat eerlijk is voor één etno-religieuze groep terwijl het de rechten van anderen met voeten treedt, verdient het om te worden erkend als wat het is: een dienares van apartheid.

Israels zelf-typering als ‘Joodse Staat’ wordt geïnstitutionaliseerd door tientallen wetten die Palestijnen discrimineren, in het bijzonder Palestijnen die op de Westelijke Jordaanoever en in de Strook van Gaza wonen. De ‘Database van Discriminerende Wetten’ bevat meer dan 50 dergelijke wetten.

Segregatie en discriminatie zijn duidelijk aanwezig met betrekking tot gescheiden scholen, gescheiden steden, gescheiden wegen, gescheiden bussen, grondonteigening, verwoestingen van huizen, nederzettingen slechts-voor-joden, niet erkende Palestijnse dorpen en ongelijke toegang tot water. De buitengerechtelijke executies, detentie zonder aanklacht en zonder proces, marteling van gevangenen, geheime getuigen en collectieve bestraffing zijn alle afwijkingen van de behoorlijke rechtsgang en worden alle exclusief op Palestijnen toegepast. Onderdrukking van vreedzaam protest en het gebruik van scherpe munitie, uitsluitend bij het onderdrukken van vreedzame Palestijnse demonstranten; ontzegging van bewegingsvrijheid uitsluitend aan Palestijnen; onteigening van Palestijnse grond en de Muur waarvan het traject over Palestijns grondgebied loopt; het zijn allemaal illegale methodes om suprematie van de joodse bevolking van de ‘Joodse Staat’ op te leggen.

Het Israelische rechtsstelsel heeft Israels politieke en militaire leiders en zijn overige militairen straffeloosheid doen genieten, ondanks zes aanvallen op burgers en op burgerlijke infrastructuur in Gaza sinds 2006.

Het bewijsmateriaal dat afkomstig is van de Amerikaanse en Britse regeringen, van twee onafhankelijke onderzoeken door de VN-Raad voor de Rechten van de Mens en van verscheidene NGO’s, suggereert dat het Israelische rechtsstelsel niet beantwoordt aan het criterium van onpartijdigheid, onafhankelijkheid en bereidheid dat het Statuut van Rome vereist voor het onderzoeken en vervolgen van Israelische politieke en militaire leiders voor hun daden in Gaza. De ongelijkheid tussen onderzoek en vervolging van misdaden die gepleegd zouden zijn door Israelische kolonisten of Israelische militairen en die welke gepleegd zouden zijn door Palestijnen, zoals die beschreven is door de Britse en Amerikaanse Ministeries van Buitenlandse Zaken, VN-commissies en NGO’s, geldt voor heel de Israelische Trias Politica, ook het rechtsstelsel, zoals gekarakteriseerd door algemene segregatie de iure en de facto, discriminatie en apartheid, vooral in de bezette Palestijnse gebieden. Het Israelische rechtsstelsel dat een algemeen karakter van ‘gescheiden en ongelijk’ laat bestaan en dat straffeloosheid geïnstitutionaliseerd heeft, belet zichzelf om te beantwoorden aan de criteria van het Statuut van Rome aangaande onpartijdigheid, onafhankelijkheid en bereid en in staat zijn om Israels politieke en militaire leiders te onderwerpen aan onderzoek en vervolging.

Bij haar afweging of onderzoek en vervolging overgelaten moeten worden aan het Israelische rechtsstelsel zal de aanklager van het Strafhof de gelegenheid hebben het Israelische rechtsstelsel onafhankelijk en onpartijdig te onderzoeken. Indien de aanklager vaststelt dat het Israelische rechtsstelsel zo is als Netanyahoe het beschrijft, dan zal het Strafhof zaken over kunnen laten aan onderzoek en vervolging door Israel. De aanklager en de Raadkamer zullen dit ook kunnen weigeren als zij vaststellen dat onder het Israelische rechtsstelsel geen waarachtige gerechtigheid voor Palestijnen verkregen kan worden.

Als het Strafhof weigert zaken aan het Israelische rechtsstelsel over te laten, dan zullen die personen die verantwoordelijk zijn voor de straffeloosheid, segregatie, discriminatie en apartheid zoals die gesteld worden door gezaghebbende regerings- en niet-regeringsbronnen blootstaan aan onderzoek en vervolging door het Internationaal Strafhof.

bron: Truthout (Sacramento, California), 6 december 2015

James Marc Leas is advocaat en voormalig covoorzitter van de Subcommissie Palestina van de National Lawyers Guild in de Verenigde Staten; onmiddellijk na de het Israelische militaire offensief in november 2012 tegen de Strook van Gaza verzamelde hij bewijsmateriaal ter plaatse als lid van een 20-koppige delegatie uit de Verenigde Staten en Europa; hij is auteur of coauteur van artikelen waarin de conclusies zijn beschreven, onder andere ‘Why the Self-Defense Doctrine Doesnt Legitimize Israels Assault on Gaza’; voorts was hij lid van de delegatie van de National Lawyers Guild die Gaza bezocht onmiddellijk na Israels militaire offensief in 2008/2009 en leverde een bijdrage aan het verslag: ‘Onslaught: Israel’s Attack on Gaza and the Rule of Law’.

vertaling: Paul Bakker

Israel steeds minder democratisch – nu ook voor joodse Israeli’s

Lihi Ben Shitrit

Wetten die de politieke vertegenwoordiging beperken, de positie van de civil society ondermijnen en de vrijheid van meningsuiting beknotten, treffen vooral de Palestijnse staatsburgers van Israel.

Door de Parlementaire Commissie in de Knesset [het Israelische parlement], die belast is met ‘grondwet’ [Israel heeft geen Grondwet, alleen en serie Basiswetten; red.], wetgeving en rechtspraak, is op 29 februari 2016 een wetsvoorstel ingediend, op grond waarvan een MK [Member of the Knesset] permanent geschorst kan worden. Voorwaarde is wel dat een meerderheid van driekwart van de MK’s – dat wil zeggen 90 van de 120 – het wetsvoorstel steunt.

Het lijdt geen twijfel dat het wetsvoorstel gericht is tegen de zittende Palestijnse MK’s. Eerder – in februari van dit jaar – had de Ethische Commissie binnen de Knesset drie Palestijnse MK’s bij wijze van strafmaatregel voor periodes van twee tot vier maanden geschorst. De betreffende MK’s hadden familieleden van Palestijnse activisten bezocht, die waren doodgeschoten nadat zij Israelische burgers hadden aangevallen.

Het moge duidelijk zijn dat joodse MK’s níet geschorst worden voor dergelijke bezoeken. Zo bezocht minister van Justitie Ayelet Shaked familieleden van een joodse activist die ervan wordt beschuldigd, dat hij vorig jaar de Palestjnse Dawabsheh-familie door brandstichting de dood heeft ingejaagd. Tegen minister Shaked is geen strafmaatregel genomen.

Genoemd wetsvoorstel is het meest recente in een reeks wetten en verordeningen, op grond waarvan de burgerrechten en politieke vrijheden van staatsburgers ernstig worden aangetast. Er mag dan veel aandacht geweest zijn voor de impact daarvan op de linkse joods-Israelische groeperingen en op joods-Israelische burgers in het algemeen, het is vooral de Palestijnse minderheid in Israel die in met de negatieve effecten – en wel in toenemende mate – van dit beleid te maken krijgt.

De schorsing van de drie Palestijnse MK’s en het wetsvoorstel dat MK’s de bevoegdheid zal geven om ook andere gekozen volksvertegenwoordigers permanent te schorsen, lijken nieuwe stappen om het recht van de Palestijnse staatsburgers van Israel op politieke vertegenwoordiging tot een minimum te beperken.

Bij algemene verkiezingen (voor de samenstelling van de Knesset) heeft de Centrale verkiezingscommissie de achterliggende jaren verscheidene Palestijnse politieke partijen van deelname uitgesloten. Voor de volledigheid moet opgemerkt worden, dat af en toe ook rechts-radicale joodse randpartijen zijn uitgesloten, met het argument dat hun racistische partijprogramma’s aan Israels democratie afbreuk doen.

De motivatie om Palestijnse politieke partijen buiten spel te zetten, is echter gebaseerd op de eis van de Palestijnen om Israel om te vormen tot een staat voor al zijn burgers in plaats van een Joodse Staat. Het Hooggerechtshof van Israel heeft wetten om Palestijnse partijen uit te sluiten herhaaldelijk ongeldig verklaard. Een onderstroom in de Israelische politiek die de politieke vertegenwoordiging van de Palestijnse staatsburgers verder wil inperken, is de achterliggende jaren echter alleen maar sterker geworden.

Zo is bij de algemene verkiezingen van 2015 de kiesdrempel van 2 naar 3,25 procent verhoogd, om zo de kleine Palestijnse politieke partijen de toegang tot de Knesset te ontzeggen. In de praktijk heeft dat overigens allemaal anders uitgepakt: doordat de bestaande Palestijnse politieke partijen de krachten in één grote partij wisten te bundelden, zijn zij erin geslaagd de op twee na grootste partij binnen de Knesset te worden.

Een volgend strijdpunt is het recht op vereniging van de civil society geweest. Door de Israelische regering is de afgelopen jaren een reeks anti-NGO-maatregelen doorgevoerd, zoals:

– het opheffen van belastingvoordelen voor bepaalde organisaties;

– het weigeren van een NGO-registratie om politieke redenen;

– de eis van het verkrijgen van goedkeuring vooraf van de regering voor het ontvangen van donaties uit het buitenland;

– het aanmerken van bepaalde organisaties zonder winstoogmerk als ‘gefinancierd door buitenlandse agenten’.

Deze acties hebben bij Israels civil society-groepen, binnen joodse gemeenschappen buiten Israel en bij buitenlandse diplomaten in de Europese Unie en in de Verenigde Staten onrust veroorzaakt. Maar ook hier weer, waar de pogingen tot anti-NGO-beleid tot publieke verontwaardiging hebben geleid, hebben de beknotting en inperking van Palestijnse civil society-initiatieven nauwelijks beroering gewekt.

Voorts is door het zogeheten Veiligheidskabinet, dat door premier Benjamin Netanyahoe wordt voorgezeten, op 17 november 2015 verordonneerd om de noordelijke tak van de Islamitische Beweging – een zusterorganisatie van de transnationale Moslim Broederschap – met onmiddellijke ingang buiten de wet plaatsten. Het gaat hier om een organisatie die sinds de jaren zeventig in Israel op religieus en sociaal gebied, maar ook in de politiek actief is geweest. Cijfers over het aantal leden worden niet openbaar gemaakt, maar uit een onderzoek in 2015 bleek, dat ruim 40 procent van de Palestijnen in Israel achter de Islamitische Beweging staat.

Eerste pogingen om de noordelijke tak van de Islamitische Beweging illegaal te verklaren, dateren al van 1996, toen de beweging haar Al-Aqsa-campagne begon. Dat gebeurde na geruchten dat Israel voornemens was de status quo op de Haram al-Sharif – door joden aangeduid als de Tempelberg – in de Oude Stad van Jeruzalem te wijzigen. De Israelische veiligheidsdiensten hebben er vaak op gewezen dat de Islamitische Beweging geen bemoeienis met politiek geweld heeft, zich niet met illegale activiteiten bezighoudt en dat het buiten de wet stellen van de organisatie juist tot radicalisering zal leiden.

Het verbieden van de noordelijke tak van de Islamitische Beweging zal verstrekkende gevolgen hebben voor honderden verwante civil society-groepen en voor tienduizenden activisten. Activisten kunnen van nu af gearresteerd worden omdat zij lid zijn van de Islamitische Beweging. De bezittingen van verwante organisaties kunnen in beslag worden genomen.

Op grond van het besluit van het Veiligheidskabinet kan voortaan elke groep of elk individu die tot de noordelijke tak van de Islamitische Beweging behoort, evenals eenieder die aan de beweging hand- en spandiensten verleent of in haar belang handelt, als ‘crimineel’ worden aangemerkt.

De drempel om buiten de wet gesteld te worden, blijkt voor een Palestijnse organisatie opvallend veel lager dan voor een joodse organisatie. In het verleden hebben Israelische regeringen incidenteel ook joodse bewegingen onwettig verklaard – zoals de rechts-nationalistische Kach- en Kahana Chai-bewegingen [zie daarover Soemoed van september-oktober 2015; red.]. In dat geval waren er bewijzen van betrokkenheid bij of oproepen tot geweld. De noordelijke tak van de Islamitische Beweging is echter zonder enig bewijs van betrokkenheid bij geweld onwettig verklaard.

Zelfs in de culturele sector is het recht op vrije meningsuiting onder druk komen te staan. Een voorbeeld: de zogeheten Nakba-wet, aangenomen in 2011, die het Ministerie van Financiën de mogelijkheid verleent om elke instelling die de Nakba herdenkt subsidie te weigeren, ook al wordt de Nakba door het Palestijnse volk beschouwd als een nationale catastrofe. De Nakba-wet noemt Palestijnse scholen of instellingen niet expliciet, toch worden deze verhoudingsgewijs zwaarder getroffen, omdat het herdenken van een historische gebeurtenis, die voor een groot deel de Palestijnse hun culturele identiteit bepaalt, strafbaar wordt gesteld.

Evenzo verbiedt de Boycotwet van 2011 Israelische staatsburgers en organisaties om tot een boycot op te roepen, niet alleen in Israel, maar ook in de bezette gebieden. Deze Boycotwet zet de deur wagenwijd open voor civielrechtelijke vervolging van boycot-supporters en voor het intrekken van financiële steun of belastingvrijstellingen voor culturele, educatieve en wetenschappelijke instituten. De minister van Sport en Cultuur, Miri Regev, verklaarde onlangs nog dat zij bezig is een aanvulling op deze wet voor te bereiden om zo een boete te kunnen opleggen aan culturele groepen die niet in de bezette Palestijnse Gebieden willen optreden.

Voor de voorstelling van de Palestijns-Israelische acteur Norman Issa, die te kennen had gegeven niet met zijn groep in de joodse nederzettingen te willen optreden, dreigde minister Regev de subsidie in te trekken, waarna Issa op zijn weigering is teruggekomen. Nogmaals, het lijkt of het beleid alle burgers van Israel in gelijke mate treft, terwijl in werkelijkheid de Palestijnse staatsburgers onevenredig zwaar door worden getroffen.

Minister Regev heeft al een voorstel voor een wet Loyaliteit in Cultuur klaarliggen, die het mogelijk maakt financiële steun te weigeren aan instellingen die geacht worden niet loyaal te zijn aan de Staat, door bijvoorbeeld een Nakba-herdenking te organiseren of andere activiteiten die Israels joodse identiteit kunnen ‘ondermijnen’.

Als wij kijken naar het grote aantal joodse organisaties, onderwijzers en politici die het joods-zijn van de Staat Israel belangrijker vinden dan de democratie, dan lijkt dit wetsvoorstel vooral gericht tegen de Palestijnen en hun sympathisanten.

Evenzo heeft de Israelische minister van Educatie, Naftali Bennett,

gepoogd om kritiek op de regeringspolitiek in culturele expressies het zwijgen op te leggen, door voorstellingen te verbieden, evenals boeken die hij ongeschikt achtte voor het verplichte of facultatieve lesrooster. Haifa’s Al-Midan Theater – het enige van staatswege gesubsidieerde Palestijnse theater in het land – was het eerste doelwit van zijn sanctiemaatregel.

Zelfs al lijkt het beleid van de minister niet direct tegen de Palestijnen is gericht, bijvoorbeeld toen hij een roman van een joods auteur van de verplichte leeslijst liet verwijderen, dan toch was de reden daarvan dat er in het boek een liefdesaffaire voorkwam tussen een Palestijn en een jood. [Het betreft hier de in 2014 gepubliceerde roman Gader Haya vrij vertaald: Grensleven van de Israelische schrijfster Dorit Rabinyan; red.]

Op de keper beschouwd vormen wetsvoorstellen, wetten, beleidsplannen en initiatieven van de opeenvolgende regeringen onder Benjamin Netanyahoe tezamen een gecoördineerde aanval op de rechten van de Palestijnse staatsburgers van Israel. Toenemende inbreuk op de burgerlijke en politieke vrijheden van 20 procent van de inwoners van Israel, leidt ertoe dat Israels democratie gestaag wordt uitgehold. Het is daarbij niet erg waarschijnlijk dat de afnemende ruimte voor afwijkende politieke opvattingen tot een minderheid beperkt zal blijven.

Naarmate Israels regeringen zich steeds intoleranter ten opzichte van politiek afwijkende meningen zijn gaan opstellen, is ook een aantal joodse civil society-organisaties op hun standpunten aangevallen of in hun bewegingsruimte beperkt – hoewel deze niet zo hard zijn aangepakt als de Islamitische Beweging.

De mensenrechtenorganisaties als B’Tselem, het Public Committee Against Torture in Israel en het Center for the Defense of the Individual (HaMoked) worden stuk voor stuk aangevallen door uiterst rechtse organisaties die banden met de regerende coalitie hebben. Minister Bennett dreigt Breaking the Silence – een veteranenorganisatie van de Israelische Strijdkrachten – met een verbod. De organisatie die zich tot taak heeft gesteld om te laten zien wat de morele prijs is die de bezetting van militairen eist – door lezingen in scholen en binnen de Strijdkrachten te geven – is door minister Bennett in de ban gedaan en een groep MK’s heeft al een wetsvoorstel ingediend om Breaking the Silence onwettig te verklaren.

De wereld zou de noodklok moeten luiden vanwege de aantasting van politieke en burgerrechten van de staatsburgers van Israel – niet alleen omdat het hier om een minderheid gaat, maar vooral omdat deze een gezonde democratische oppositie, die voor een democratie essentieel is, onmogelijk maakt te functioneren.

bron: Carnegie Endowment for International Peace (Washington, DC), 10 maart 2016

Lihi Ben Shitrit is verbonden aan de Carnegie Endowment for International Peace

vertaling: Ellen de Haan

Dit is niet het moment om te buigen voor Israelische chicanes over ‘antisemitisme’

Ilan Pappé

Wij in het comfortabele Westen mogen ons niet laten intimideren door valse beschuldigingen van antisemitisme.

Er komt een moment in de strijd van een beweging dat succes heel gevaarlijk kan zijn. Het apartheidsregime in Zuid-Afrika was het wreedst en het dodelijkst vlak voordat het teloor ging. Wanneer je een onrechtvaardig bewind en zijn aanhangers het vuur niet aan de schenen legt, zullen zij je negeren en geen noodzaak zien de confrontatie aan te gaan. Maar wanneer je de spijker op de kop slaat, volgt er een reactie.

Zo ook in het geval van de BDS-beweging (boycot, desinvesteren en sancties). Deze is de logische voortzetting van het mooie werk dat alle solidariteitsgroepen en comités voor Palestina hebben verricht. Zij legt een assertieve, niet-aflatende steun voor het Palestijnse volk aan de dag, door middel van direct contact met ware vertegenwoordigers van de Palestijnse gemeenschappen binnen en buiten Palestina. Tot voor kort achtte Israel deze ontwikkeling marginaal en ineffectief. Zelfs sommige Westerse vrienden van Palestina hadden bezwaar tegen BDS omdat zij meenden dat deze geen vrucht droeg.

Wel, het lijkt erop dat de beweging effectiever is dan zelfs de initiatiefnemers hadden durven hopen. Dat is niet verwonderlijk. BDS vertegenwoordigt een nieuwe tijdgeest in de politiek, zoals blijkt uit de steun van een jeugdig electoraat voor Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië en Bernie Sanders in de Verenigde Staten. Het verlangen naar een ‘schonere’, morele politiek die het neoliberale karakter van de Westerse economie en politiek aan de kaak durft te stellen, leverde twee – ironisch genoeg oudere – heren, die een zuiverder politiek voorstaan, de steun van jonge mensen op.

Ferme steun voor het Palestijnse volk zit in dit pakket van een zuiverder politiek. De enige manier om vandaag de dag buiten Palestina steun te betuigen aan de Palestijnen, is door middel van BDS. In Groot-Brittannië hebben de aanhangers van Corbyn dit begrepen. En niet alleen zij: ook degenen die op andere fronten actief zijn, zoals sociale rechtvaardigheid, ecologische strategie en mensenrechten en de rechten van inheemse volkeren.

Leden van de politieke elites en van het establishment die zeer hoge posities bekleden, spreken zich duidelijk en zonder schroom uit voor Palestina. Hoe lang geleden hebben wij dat een oppositieleider in Groot-Brittannië en een presidentskandidaat in de Verenigde Staten horen doen? Ook al is de steun van de laatste vrij zwak en afhoudend – in de Amerikaanse politiek mag je spreken van een revolutie wanneer een kandidaat niet naar een AIPAC-conferentie gaat en daarover vervolgens ook nog eens geen heibel ontstaat.

Vandaar de huidige felle aanval op de Labour Partij en op Corbyn. Alles wat de zionisten in Groot-Brittannië antisemitisme noemen – en wat in hoofdzaak legitieme kritiek op Israel betreft – is de afgelopen 50 jaar al eens gezegd. De pro-zionistische lobby in Groot-Brittannië, die onder directe supervisie van Israel staat, haalt de beschuldiging van antisemitisme uit de mottenballen, omdat de duidelijk antizionistische opstelling van BDS tot de hoogste kringen is doorgedrongen. Zij zijn doodsbang voor deze ontwikkeling. Proficiat, BDS-beweging!

Toegegeven, de reactie is krachtig en kwaadaardig. Maar je behoort die niet het hoofd te bieden door partijleden te schorsen, studentenleiders te ontslaan en onnodig verontschuldigingen aan te bieden voor niet-begane misdaden. Wij zijn verwikkeld in de strijd voor een vrij en democratisch Palestina en Israel: angst voor zionistische intimidatie brengt ons niet verder.

De komende tijd wordt heel zwaar. Wij moeten zowel geduld betrachten als terugkeren naar het podium, de website, de radio en de televisie om opnieuw uit te leggen wat voor velen van ons duidelijk is: zionisme is geen jodendom, en antizionisme is geen antisemitisme.

Zionisme was niet het probate middel tegen het ergste hoofdstuk in de geschiedenis van het antisemitisme in Europa: de Holocaust. Zionisme was het verkeerde antwoord op die gruweldaad. Sterker, toen Europese leiders zonder voorbehoud hun steun voor het zionisme uitspraken, waren hun motieven in veel gevallen antisemitisch. Hoe valt anders te verklaren dat Europa passief toekeek toen het naziregime de joden uitmoordde en vervolgens vergiffenis zocht in steun aan een nieuw plan om zich van joden te ontdoen door hen Palestina te laten koloniseren? Geen wonder dat deze absurde logica de antisemitische impuls niet doodde, maar in leven hield.

De geschiedenis valt echter niet terug te draaien. Joodse kolonisten en autochtone Palestijnen delen een land en zullen dat blijven doen. De beste manier om antisemitisme vandaag de dag te bestrijden, is om dit land te veranderen in een vrije democratische staat die rechtvaardige en eerlijke economische, sociale en politieke uitgangspunten kent. Dit zal een complexe, pijnlijke omvorming van de huidige realiteit vergen, en de uitvoering kan tientallen jaren duren. Maar de tijd dringt om er duidelijk over te praten, zonder angst, zonder onnodige verontschuldigingen, en zonder valse verwijzingen naar Realpolitik.

Voor Corbyn wordt het misschien nog lastig om zijn partij de noodzaak van een eerlijk en ethisch discours over Palestina bij te brengen – en hij heeft zich al zo voor de zaak ingezet dat wij geduld moeten hebben, ook al zijn sommige reacties van zijn partij en van hemzelf teleurstellend (het is overigens wel duidelijk dat de laatste rel in de partij over antisemitisme vooral een poging is van Blair-aanhangers, die altijd op de hand van de zionisten zijn geweest, om Corbyns positie te ondermijnen, en daarnaast een wanhopige poging is van Israel om de grote verschuiving in de Britse publieke opinie ten gunste van Palestina een halt toe te roepen).

Dit is echter niet het probleem. Wat in het verschiet ligt, is veel belangrijker dan de binnenlandse politieke situatie in Groot-Brittannië. Echt belangrijk is het besef dat er hier in Groot-Brittannië, maar ook in de Verenigde Staten, een nieuwe fase is begonnen in de strijd voor vrede, gerechtigheid en verzoening in Palestina. Die komt niet in de plaats van de strijd in Palestina zelf, maar versterkt en legitimeert deze.

Feitelijk wacht ons een cluster van onvermijdelijke krachtmetingen: met wetgevers die door Israel ofwel zijn geïntimideerd of omgekocht; met rechters en politieagenten die worden gedwongen zich te houden aan nieuwe onrechtvaardige en belachelijke wetten die BDS als een vorm van antisemitisme veroordelen (wij weten al dat velen van hen deze richtlijnen belachelijk vinden); tegen besturen van universiteiten die zich zullen laten intimideren en onder druk zetten; en tegen kranten en omroepen die hun ethische codes zullen schenden en professionele verplichtingen zullen verraden, vanwege de nieuwe tegenaanval.

De strijd in Palestina zelf is veel moeilijker, veel gevaarlijker en vergt offers die wij in het Westen in de verste verte niet hoeven te brengen. Het minste wat wij kunnen doen, is ons niet laten intimideren door absurde beschuldigingen en ons te realiseren dat de strijd tegen islamofobie en het kwaad van het neoliberalisme, en vóór de rechten van inheemse volkeren wereldwijd en voor Palestina, een en dezelfde strijd is.

Dit is niet alleen een campagne van moslims in Groot-Brittannië, de Palestijnse ballingen in Europa, oud-links in de Verenigde Staten en antizionisten in Israel. Deze campagne is onderdeel van een veel grotere beweging voor verandering, die nieuwe partijen aan de macht heeft gebracht in Griekenland, Spanje en Portugal, die de Labour Partij nieuwe waarden heeft geschonken en ervoor heeft gezorgd, dat er nieuwe stemmen klinken in de Amerikaanse Democratische Partij.

Wij moeten ons geen zorgen maken over de nieuwe voorgestelde wetgeving, de nieuwe politierichtlijnen of de mediahysterie. Zelfs de laffe zuivering van Labour-raadsleden mag ons niet afleiden van de prestaties die zijn geboekt in de strijd om de gunst van de publieke opinie ten aanzien van Palestina.

Het juiste perspectief bewaren, is op dit moment van essentieel belang. Als Israel meent dat het Mark Regev, het publieke gezicht van de misdadige politiek jegens Gaza, als ambassadeur naar Londen kan sturen, als het denkt daarmee weg te komen, als de Israelische ambassadeur in Washington besluit om de strijd tegen BDS aan te binden door – geheel in strijd met Amerikaanse wetten – producten van de bezette Westelijke Jordaanoever naar elke afgevaardigde en senator op Capitol Hill te sturen, dan zijn dit geen bewijzen dat Israel onoverwinnelijk is, maar dat hier sprake is van een zwakzinnig politiek systeem, dat maar niet kan begrijpen waar de geschiedenis ons heen voert.

Zoals elke fobie kan Palestina-fobie een intimiderende en verlammende werking hebben, maar zij kan ook worden verslagen, vooral in deze unieke tijd waarin wij leven. Wij in het comfortabele Westen moeten niet toegeven aan valse beschuldigingen van antisemitisme door Anglo-zionisten, timide politici en cynische journalisten. Het is tijd om terug te vechten: in de rechtbank, op het plein, in het parlement en in de media.

bron: Middle East Eye (Londen), 5 mei 2016

Ilan Pappé is hoogleraar Geschiedenis, directeur van het European Centre for Palestine Studies en co-directeur van het Centre for Ethno-Political Studies van de Universiteit van Exeter

vertaling: Carl Stellweg

Wilt u een abonnement op Soemoed nemen?