maart-april 2016 | nr 2

Inhoud | jaargang 44, nummer 2 |
  • Executie van Palestijn legt militaire cultuur van Israel bloot; pp. 4-5.
  • De strijd om Syrië – de vooruitziende blik van Joseph Massad; pp. 6-7.
  • Syrië – een nieuw Vietnam in het Midden-Oosten ?; pp. 8-11.
  • Wat zou Donald Trump voor het Midden-Oosten betekenen ?; pp. 12-13.
  • Leven in Tel Rumeida, Al-Khalil (Hebron) – een verhaal over activisme en het leven van kinderen onder bezetting; pp. 14-16.
  • EECP – openbare hoorzitting in Europees Parlement over rol Israel in ‘Horizon 2020’; pp. 17-18.
  • Israel trekt 26 miljoen dollar uit voor cyberaanvallen op BDS-beweging en op moslim sociale media in het Westen; pp. 19-20.
  • Gaza spreekt – dit heeft de al 10 jaar durende blokkade ons aangedaan; pp. 21-22.
  • De desastreuze gevolgen van Israels Gaza-offensief van zomer 2014 – de cijfers; p.23.
  • De ellende in Gaza zet Palestijnen aan tot vertrek; pp. 24-27.
  • Israels oorlog om het gas van Gaza; pp. 26-27.
  • Gaza – de door HAMAS niet nagekomen beloften; pp. 28-29.
  • Waarom het met de verzoening tussen HAMAS en FATAH maar niet wil lukken; pp. 30-31.
  • Heeft HAMAS toekomst ?; pp. 32-35.
  • Een drievoudig nee – de inwoners van Gaza wijzen Israel, Abbas én HAMAS af; pp. 36-37.
  • Na een lange afwezigheid keert de film terug in Gaza; pp. 38-39.
Redactioneel
Gaza

Vrijwel volledig uit beeld gedrukt door het drama in Syrië, verkommeren de 1,8 miljoen inwoners van de Strook van Gaza. Drie grote militaire offensieven van Israel in vijf jaar tijd – in 2008-2009, 2012 en vooral 2014 – hebben niet alleen een enorme humanitaire misère veroorzaakt, de infrastructuur ligt in puin en de economie is vrijwel tot stilstand gekomen (met als gevolg het hoogste werkloosheidspercentage ter wereld).

In dit nummer van Soemoed zetten wij de zaken nog eens op een rij. De Palestijnse wetenschapper Ramzy Baroud doet dat door inwoners van Gaza aan het woord te laten over de gevolgen van de inmiddels bijna 10 jaar durende algehele blokkade door Israel – de afgelopen twee jaar in samenwerking met het regime van president Abdul Fattah al-Sisi van het buurland Egypte. Afgezien van alle materiële ontberingen, merkt een van hen op: ‘Ik denk dat wij het punt bereikt hebben, dat de blokkade onderdeel is geworden van ons dagelijks leven en routine. Ik kan mij eerlijk gezegd niet voorstellen hoe het zou zijn om mij vrijelijk te kunnen bewegen of een hele dag zonder stroomuitval te beleven. Het is moeilijk om mij te herinneren hoe het leven vóór de blokkade was.’

Iemand anders voegt daaraan toe: ‘Ik heb het gevoel dat wij in een kooi leven en geen enkele notie hebben van wat er zich buiten deze kooi afspeelt.’

En weer een ander zegt: ‘Mensen die in Gaza nog in leven zijn, sterven al een decennium jaar lang dagelijks. Maar wij moeten optimistisch en hoopvol blijven. Wij hebben geleerd om creatief te zijn om te kunnen overleven, om uitdrukking te geven aan onszelf, en door te gaan zonder toe te geven, ondanks de voortdurende misdaden van Israel en het zwijgen van de internationale gemeenschap.’

Standvastigheid (sumud) zeker. Niettemin ziet een groeiend aantal inwoners – vooral hoogopgeleiden – voor zichzelf in Gaza geen perspectief meer en wil weg om elders in de wereld een bestaan op te bouwen. Hoewel de Israelisch-Egyptische blokkade dat niet eenvoudig maakt, vormt een brain drain een serieuze bedreiging voor de toekomst van Gaza – welke dan ook (zie ‘De ellende in Gaza zet Palestijnen aan tot vertrek’).

Zo heeft Israel de Palestijnen in Gaza met militaire en economische middelen in een onmogelijke positie weten te drukken. Voor hun overleven zijn zij inmiddels volledig aangewezen op hulp van buitenaf, waarbij Israel bepaalt wat Gaza al dan niet in- en uitgaat. Overigens met medewerking van de Verenigde Naties, die na afloop van het militaire offensief van Israel in 2014 betrokken waren bij het opstellen van het verstikkende grenscontroleregime tussen Israel en de Strook van Gaza.

Buitenlandse hulp is in principe niet nodig. Gaza beschikt over economische mogelijkheden en voor de kust bevindt zich een aardgasveld met een marktwaarde van enkele miljarden euro’s. Vanzelfsprekend verhindert Israel de Palestijnen om dit aardgasveld te exploiteren. De grote militaire offensieven tegen Gaza van de afgelopen jaren, waren zelfs mede daardoor ingegeven (zie ‘Israels oorlog om het gas van Gaza’).

De situatie wordt verder bemoeilijkt door het slepende conflict tussen FATAH en HAMAS. Beide partijen slagen er maar niet in om tot een vorm van samenwerking te komen – vooral vanwege de verschillende politieke agenda’s en een inmiddels diepgeworteld wederzijds wantrouwen.

Zoals bekend is de nauw met het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) verbonden FATAH vanwege het failliet van ‘Oslo’ aan groeiende kritiek bloot komen te staan. Hoewel HAMAS zich van ‘Oslo’ afzijdig heeft gehouden, is de afgelopen jaren ook haar positie onder druk komen te staan. Dat is vooral vanwege de totale politieke en economische impasse in de door HAMAS gecontroleerde Strook van Gaza en het conflict met FATAH. Zozeer, dat veel jongeren in Gaza – zo blijkt uit onderzoek van de sociale media – behalve Israel en PNA-president Mahmoud Abbas, nu ook HAMAS afwijzen (zie ‘Gaza – de door HAMAS niet nagekomen beloften’ en ‘Een drievoudig “nee” – de inwoners van Gaza wijzen Israel, Abbas én HAMAS af’).

Inmiddels ziet HAMAS zich geconfronteerd met opkomende salafistisch-jihadistische strijdgroepen, waarvan sommigen zich oriënteren op de gevreesde Islamitische Staat (zie ‘Heeft HAMAS toekomst ?’). Daarmee lijkt HAMAS voor zowel Israel als het Westen een partner – via Egypte – te worden. De grote vraag is inmiddels niet meer zozeer of, maar op welke voorwaarden HAMAS bereid is een dergelijke ontwikkeling mee te gaan.

De alles en iedereen verwoestende burgeroorlog met regionale en mondiale dimensies in Syrië blijft onze aandacht vragen. Want deze raakt de Palestijnen direct (Palestijnse vluchtelingen) of indirect (positie van de Palestijnen in Palestina en daarbuiten; positie van Israel in de regio).

De Palestijnse wetenschapper Joseph Massad zag al in een vroeg stadium waarop een en ander in Syrië zou gaan uitdraaien, nadat een authentieke volksopstand tegen het repressieve Assad-regime snel was gekaapt door regionale en mondiale machten, die de belangen van het Syrische volk ondergeschikt maakten aan het doorvoeren van hun eigen machtspolitieke agenda’s (zie ‘De strijd om Syrië – de vooruitziende blik van Joseph Massad’). Hij eindigt zijn betoog met ‘Ik betuig het Syrische volk mijn innige deelneming.’

 

<strong>Executie van Palestijn legt militaire cultuur van Israel bloot</strong>

Jonathan Cook

Deze gebeurtenis had de Israeli’s tot hun positieven kunnen brengen. Maar helaas, de videobeelden van een Israelische soldaat die een jonge Palestijn, die gewond op straat lag en nauwelijks nog kon bewegen, doodschoot, heeft alleen maar de primitieve bloeddorst van het Israelische publiek aangewakkerd.

Toen de soldaat afgelopen week werd voorgeleid voor de militaire onderzoeksrechter, stonden buiten de rechtszaal honderden supporters luidkeels te protesteren. Hij wordt voorts openlijk gesteund door een aantal ministers uit de regering van Benjamin Netanyahoe, voormalige generaals, rabbijnen en – volgens recente peilingen – een overweldigende meerderheid van het joods-Israelische publiek.

Het is van belang om stil te staan bij deze hartverwarmende gevoelens van solidariteit.

Over de feiten valt niet te twisten. Op 24 maart werden twee Palestijnen – Abdel Fattah al-Sharif en Ramzi Qasrawi, beiden 21 jaar oud – neergeschoten bij een aanval op soldaten die een checkpoint bemanden in de stad Al-Khalil (Hebron) op de bezette Westelijke Jordaanoever.

Tien minuten later verscheen de 19-jarige soldaat op de plaats van het onderzoek. Qasrawi was dood en al-Sharif lag gewond op het wegdek. Andere soldaten stonden om hen heen.

Op dat moment liep de soldaat – wiens naam op last van de militaire censuur niet genoemd mag worden – op al-Sharif af. Hij richtte zijn geweer op het hoofd van de jongeman en haalde de trekker over.

Dit is allemaal vastgelegd op video, net als het bloedspoor dat enkele seconden later uit het hoofd van al-Sharif stroomde.

Hier was geen sprake van gedood worden in de hitte van de strijd. Dit was een executie in koelen bloede. Zoals door Amnesty International is vastgesteld, gaat het hier om een oorlogsmisdaad.

Maar toch is voor de meeste joodse Israeli’s de soldaat hier het werkelijke slachtoffer. Uit een opiniepeiling blijkt, dat 57 procent tegen verder onderzoek is, en al helemaal tegen berechting en gevangenisstraf. Ongeveer 66 procent spreekt van een goede daad en slechts 20 procent vindt kritiek op zijn plaats. En amper 5 procent vindt dat hier sprake is van moord.

Als deze video en de nasleep ervan ergens goed voor zijn, dan is dat wel omdat zij de staat van ontbinding aangeeft, waarin de openbare mening in Israel zich bevindt.

Het onweerlegbare bewijs voor Al-Sharifs executie vormt een uitdaging voor joodse Israeli’s om zichzelf en anderen niet langer wijs te maken dat de instellingen van hun sektarische, etnische staat ook nog maar iets van doen hebben met universele waarden en mensenrechten.

Al tientallen jaren roeptoetert Israel dat zijn strijdkrachten de meest ‘morele’ strijdkrachten ter wereld zijn. Dat was altijd al lachwekkend, maar in het tijdperk van mobieltjes met camera’s blijkt het steeds moeilijker om de systematische misdaden van een gewelddadige bezettingsmacht verborgen te houden.

Sinds zes maanden zijn wij getuige van een golf van wanhoopsdaden van de kant van de Palestijnen – veelal geïmproviseerd met messen en auto’s -, daden die erop gericht zijn een einde aan de bezetting te maken.

Een aantal incidenten is op film vastgelegd. Het is schokkend om te zien hoeveel Palestijnen – waaronder kinderen – zijn doodgeschoten, zelfs wanneer zij voor Israelische soldaten of burgers geen enkel gevaar vormden. In het militaire spraakgebruik heet dit ‘de dood bevestigen’ (confirming the kill).

Deze laatste video springt eruit, niet zozeer omdat deze een onweerlegbaar bewijs levert, maar vooral omdat het Israels breed geaccepteerde militaire cultuur aan het licht brengt.

Afgelopen september sprak de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken, Margot Wallström, zich uit tegen de schietgrage mentaliteit binnen het Israelische leger. Premier Netanyahoe veegde haar vervolgens de mantel uit en ontzegde haar de toegang tot Israel.

Afgelopen week kwam een brief in de openbaarheid van tien Amerikaanse senatoren – geschreven vóór de moordpartij in Al-Khalil – waarin Wallströms zorg werd gedeeld. Opnieuw toonde Netanyahoe zich hoogst verontwaardigd en zei dat zijn soldaten geen ‘moordenaars’ waren.

Wallström was bezorgd omdat Israelische functionarissen, door hun weigering overduidelijke gevallen van standrechtelijke executies te onderzoeken en te veroordelen, een signaal afgeven aan hun soldaten en aan het brede Israelische publiek, dat zulke daden getolereerd worden.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de meeste joodse Israeli’s menen dat deze soldaat eruit gepikt is. Zijn misdaad was niet dat hij een Palestijn executeerde, maar dat hij daarbij gefilmd is. Gewoon pech dus.

Het joods-Israelische publiek komt niet zomaar tot die slotsom. Reeds op jonge leeftijd worden het opgevoed met dit sektarisch rechtsgevoel. Palestijnen worden niet als volwaardige mensen met gelijke rechten beschouwd.

Deze mentaliteit wordt nog versterkt doordat politici – van rechts tot links – soldaten, politieagenten en gewapende joodse kolonisten hebben aangemoedigd elke Palestijn die het waagt één hand naar een jood uit te steken, te doden. Deze vorm van opruiing heeft grote vormen aangenomen en wordt door niemand, tot Netanyahoe toe, weersproken.

Integendeel! De spaarzame Israelische organisaties die de rechten van Palestijnen proberen te verdedigen, worden van alle kanten aangevallen.

Breaking the Silence (Verbreek het Stilzwijgen) – een groep die klokkenluiders uit het Israelische leger ondersteunt – is onlangs door de minister van defensie van ‘verraad’ beschuldigd. Israel is hard bezig om de boodschappers het leven moeilijk te maken en hun het zwijgen op te leggen – of het nu buitenlandse diplomaten of eigen soldaten zijn.

Netanyahoe laat er geen twijfel over bestaan waar zijn sympathieën liggen. Vorige week nog gaf zijn kantoor een persverklaring uit, dat hij de vader van de soldaat had opgebeld om zijn medeleven te betuigen.

Ook rabbijnen roeren de oorlogstrom.

Terwijl medestanders de soldaat tot held uitriepen, heeft de sefardische opperrabbijn Yitzhak Yosef – één van de twee hoogste religieuze autoriteiten van het land – verklaard dat alle niet-joodse Israeli’s – ongeveer 2 miljoen burgers van Palestijnse afkomst – voor de keuze gesteld moeten worden: zij zouden erin moeten toestemmen de knechten van joden worden, of anders naar Saoedi-Arabië moeten worden uitgewezen.

Twee weken eerder had hij tegen soldaten gezegd, dat zij de godsdienstige plicht hebben om iedereen die hen aanvalt, te doden.

Er kleeft nóg iets bijzonders aan de soldaat in Al-Khalil. Hij maakte onderdeel uit van de geneeskundige troepen. Het was zijn taak levens te redden. In het geval van de Palestijnen meende hij evenwel dat het zijn hogere plicht was het leven te beëindigen.

En hij is geen uitzondering. Ook de Israelische ambulancebroeders ter plaatse – van wie eveneens verondersteld mag worden dat zij zich gebonden voelen aan de erecode van het Rode Kruis – keurden Al-Sharif, ondanks zijn levensbedreigende verwondingen, geen blik waardig. Zij bekommerden zich uitsluitend om de lichtgewonde Israelische soldaat. Palestijnse en joodse levens zijn voor deze verpleegkundigen duidelijk niet gelijkwaardig.

Uit veel recente video’s komt eenzelfde beeld naar voren. In november reed een Israelische ambulance langs de dertienjarige Ahmed Manasra zonder hem te behandelen. Na zijn betrokkenheid bij een steekincident in bezet Oost-Jeruzalem lag hij op straat, bloedend uit een ernstige hoofdwond.

En dan de officiële Israelische gerechtsdienaren.

Israelische media maakten vorige week bekend dat het Openbaar Ministerie verzuimd had om een onderzoek in te stellen tegen een politieagent, die verdacht werd van het executeren van een Palestijn na een aanval in de buurt van Tel Aviv. En dat terwijl dit feit met de camera was vastgelegd.

Ook in het geval van de soldaat in Al-Khalil probeert het Militair Gerechtshof de soldaat als slachtoffer neer te zetten. Door een verbod op het publiceren van zijn naam, heeft het Hof bij het Israelisch publiek de indruk gewekt alsof het hier om een slachtoffer in een verkrachtingszaak gaat.

Vorige week bezweken de aanklagers voor de druk – zoals dat later ongetwijfeld ook het geval zal zijn met de leden van de Krijgsraad – en brachten zij de beschuldiging van moord terug tot doodslag. De legerofficier die het verhoor leidde, heeft de soldaat inmiddels feitelijk in vrijheid gesteld binnen de hekken van de legerplaats van zijn eenheid.

Het Israelische publiek begrijpt heel goed dat het onderzoek in deze zaak slechts uiterlijk vertoon is. Louter en alleen omdat zo ongeveer de hele wereld het bewijs van de moord heeft gezien.

De soldaat is geen slachtoffer, wel een zondebok. Hij handelde niet op eigen houtje, maar in overeenstemming met de waarden die gedeeld worden door zijn legereenheid, door het oppercommando, door de meeste joods-Israelische politici, door veel prominente rabbijnen en door de overgrote meerderheid van het Israelische publiek.

Wij moeten streng over hem oordelen, maar het wordt tijd dat ons oordeel zich uitstrekt tot ver voorbij deze ene soldaat.

Degenen die hem – en met hem honderdduizenden anderen – er nu al decennialang op uit sturen om een onwettige en gewelddadige bezetting in stand te houden en die hun leerden om Palestijnen als mindere wezen te beschouwen, zijn minstens even schuldig.

bron: Arabic Media Internet Network (Amin), 2 april 2016

Jonathan Cook is schrijver en journalist, woonachtig in Nazareth (Israel); hij is de auteur van onder meer Disappearing Palestine: Israel’s Experiments in Human Despair (Londen: Zed Books, 2008; 304 pp.)

vertaling: Frans Brons

 

<strong>Leven in Tel Rumeida, Al-Khalil</strong>
– een verhaal over activisme en het leven van kinderen onder bezetting

Nora John

‘Sejjjil ! Ana ‘Arabi. Wa raqam bitaaqati khamsoona elf’ (‘Registreer ! Ik ben een Arabier. En mijn identiteitskaartnummer is 50.000’).

De Palestijnse dichter Mahmoud Darwish begint zijn vaak geciteerde gedicht over de Palestijnse ID-kaart met de bovenstaande woorden. De ID kaart is een instrument en een symbool geworden voor de onderdrukking en vernedering van de Palestijnen. Het gedicht van Darwish illustreert levendig waar de Palestijnse ID-kaart voor staat: bevolkingsregistratie, controle en beroving van de rechten van de Palestijnse bevolking. Sinds oktober 2015 hebben de vrijheidsbeperkingen, vernederingen, mishandelingen en uitingen van geweld op basis van deze bevolkingsregistratie in Al-Khalil (Hebron), gelegen in het zuiden van de Westelijke Jordaanoever, ongekend nieuwe vormen aangenomen.

Al-Khalil is opgedeeld in twee zones: H1, dat in theorie volledig door Palestijnen wordt gecontroleerd, en H2, dat volledig onder Israelische militaire controle staat. Als gevolg van deze onderverdeling wordt de illegale joodse nederzetting in het hart van de stad permanent beschermd door het Israelische leger (IDF). Een van deze door de IDF bezette buurten is Tel Rumeida, waar zowel Palestijnen als joodse kolonisten wonen. De Palestijnse bewoners van Tel Rumeida kunnen hun wijk slechts te voet en via een controlepost betreden. Sommige straten zijn volledig ontoegankelijk gemaakt voor Palestijnen: de hoofdweg en tevens het voormalig economisch centrum van Al-Khalil – de Shuhada-straat (Martelarenstraat) – is hier een voorbeeld van en deze is sinds 1994 volledig afgesloten. De deuren van de voormalige winkels zijn dichtgelast en het grootste gedeelte van de straat dient tegenwoordig als joodse nederzetting, waar het voor Palestijnen strikt verboden toegang is.

In november 2015 werd Tel Rumeida tot ‘gesloten militaire zone’ verklaard, wat onder meer inhield dat alle Palestijnse bewoners werden verplicht zich te registreren bij de IDF. Iedere bewoner kreeg een identificatienummer en had nog maar beperkte toegang tot de aangrenzende wijken. Imad Abu Shamsiya, werkzaam voor de Human Rights Defenders Group in Tel Rumeida, documenteert Israelische misdrijven: ‘Israelische soldaten gaven mij het nummer 36. Het is alsof je in een gevangenis zit. Zij proberen een nummer van je te maken, je bent geen persoon meer’. Het gevolg van dit nieuwe mechanisme is, dat de wachttijden bij de controleposten voor de inwoners van Tel Rumeida aanzienlijk langer zijn geworden, waarna vervolgens dikwijls de toegang tot de eigen woonwijk wordt geweigerd. Degenen die van buiten dit gebied komen – zoals familieleden, vrienden en lokale en internationale activisten – wordt de toegang tot Tel Rumeida ontzegd, aangezien zij niet in de wijk wonen.

Tussen augustus 2015 en januari 2016 heb ik in Al-Khalil onderzoek gedaan voor mijn masterscriptie. Tijdens mijn verblijf raakte ik betrokken bij de International Solidarity Movement (ISM) – een groep activisten die zich inzet tegen de onderdrukking en de onteigeningen van de Palestijnse bevolking. Daar heb ik de systematische verdrijving van de lokale en internationale mensenrechtenwaarnemers door de Israelische troepen en dagelijkse onderdrukking van de Palestijnen van dichtbij meegemaakt.

De Palestijnse en internationale activisten die in en rondom dit gebied Israelische misdrijven documenteren en aan de kaak stellen, zijn de afgelopen periode steeds actiever doelwit geworden van de IDF en de Israelische politie. Zo zijn ISM-leden op 1 november 2015 uit hun kantoor in Tel Rumeida gezet, met het argument dat zij geen officiële bewoners van de ‘gesloten militaire zone’ waren. Op gelijke wijze werd ook de Palestijnse organisatie Youth Against Settlements (YAS) uit haar kantoor en woonruimte gezet, ditmaal omdat deze in een ‘nieuwe gesloten militaire zone’ zou zijn gevestigd.

Een militair bevel waarin deze zone als ‘gesloten militaire zone’ is aangeduid, is echter nooit officieel afgegeven. Aangezien de IDF de periode waarin een dergelijk bevel van toepassing zou zijn, slechts op gekopieerde versies weergeeft, is het mogelijk de duur van een zodanig bevel telkens naar believen te verlengen. Protest tegen een dergelijke handelwijze leidde slechts tot uitspraken als: ‘wij bepalen de wet’ of  ‘wij zijn hier de wet’. Het zich geenszins willen committeren aan de internationale humanitaire regelgeving en universele mensenrechten wordt in het bezette gedeelte van Al-Khalil pijnlijk duidelijk: wie gewapend is, bepaalt het reilen en zeilen in de wijk.

De stelselmatige tegenwerking van activisten en mensenrechtenorganisaties door Israelische soldaten werkt niet alleen straffeloosheid in de hand, maar zorgt er tevens voor dat de inwoners van Tel Rumeida nog groter gevaar lopen om slachtoffer te worden van geweld en onderdrukking. ‘Het meest beangstigend is dat de kolonisten vrij zijn om gewapend rond te lopen. Wij vrezen voor onze kinderen’, zegt Imad Abu Shamsiya. Aan de hand van talrijke interviews en observaties in en rondom de wijk heb ik geprobeerd een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de wijze waarop de bezetting het dagelijks leven van de kinderen in Tel Rumeida beïnvloedt. De door mij geïnterviewde meisjes en jongens zijn tussen 8 en13 jaar oud en leven allemaal in de bezette wijk. In mijn onderzoek kwam sterk naar voren dat ze opgroeien in een omgeving van geweld, haat en vernedering, waarin de dagelijkse activiteiten worden gedicteerd door angst.

Van een normale kindertijd is dan ook geen sprake. In Tel Rumeida is geen enkele speelplaats. De meeste kinderen moeten twee keer per dag langs een controlepost met zwaarbewapende soldaten. Daar worden zij dikwijls door Israelische soldaten en joodse kolonisten vernederd, onder meer door de kinderen uit te schelden, de schooltassen grondig te doorzoeken en vervolgens de schoolspullen naar de kinderen te gooien. Hierbij worden vaak ook de overduidelijk ongevaarlijke schoolspullen ingenomen met als reden dat het hier om ‘wapens’ zou gaan. Daarnaast worden mannen en jongens gedwongen hun jassen te openen, hun shirts omhoog te trekken en hun mouwen op te stropen, onder toeziend oog van voorbijgangers. Aan het einde van deze procedure moeten de jongens vaak met hun gezicht naar de muur staan voor een uitgebreidere en agressievere fouillering. Vrouwen en meisjes worden gedwongen hun handtas of schooltas op de grond te leggen, naar achteren te stappen en toe te kijken hoe een mannelijke Israelische soldaat de tas doorzoekt. Aan deze vernederende technieken en praktijken staan alle Palestijnen bloot, kinderen niet uitgezonderd.

Majdoleen, een twaalf jaar oud meisje uit Tel Rumeida, vertelde dat zij twee van de vier door het Israelische leger gedode wijkbewoners had gezien. Kinderen blijft de confrontatie met geweld dus niet bespaard. Mishandelingen en vernederingen zijn nu eenmaal aan de orde van de dag. In de ogen van de bezetter is elke Palestijn een potentiële vijand en wordt deze dus ook als zodanig behandeld. Hier was ik dagelijks getuige van.

Opvallend is dat de bezetter voor kinderen dezelfde normen aanlegt als voor volwassenen. Twaalfjarigen zijn beschuldigd van en veroordeeld voor deelneming aan ‘nationalistische bewegingen’ en gevangengenomen. Wettelijk gezien kan een kind tot zijn elfde levensjaar niet worden aangehouden of vervolgd. Vanaf hun twaalfde dragen kinderen echter juridische verantwoordelijkheid voor hun daden en kunnen zij worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.

Wettelijk houdt de kindertijd voor Palestijnen dus op na het elfde levensjaar. In de praktijk is van een dergelijke strikte scheiding echter niet eens sprake. Die moet wijken als ‘de veiligheid van de Staat Israel wordt bedreigd’. Dat je een kind bent, is geen reden je vrij te stellen van systematische onderdrukking en geweld. Volgens de Palestijnse sectie van Defence for Children International (DCI) zijn in heel Palestina sinds oktober vorig jaar 283 kinderen gewond geraakt, 307 kinderen gevangen genomen en 21 kinderen gedood. Voor deze statistieken heeft DCI gegevens gebruikt van kinderen in de leeftijdscategorie 0-18 jaar.

De kindertijd is in Tel Rumeida een gevoelig onderwerp dat de structurele effecten en omvang van de bezetting van de Palestijnse populatie blootlegt. De kinderen uit Tel Rumeida verlangen naar een jeugd waarin zij kunnen genieten van vrijheid, veiligheid en hun recht om te spelen. De realiteit in een wijk als deze biedt echter geen enkel uitzicht op een dergelijke jeugd. ‘Het leven van de kinderen buiten onze wijk is veel beter, want daar is geen bezetting. Het leven van kinderen hier is in gevaar’, zegt een twaalfjarig meisje.

Alledaagse handelingen, zoals naar school of naar de markt gaan, familie en vrienden bezoeken of buitenspelen, worden ernstig belemmerd door de bezetting. De enige basisschool in Tel Rumeida, de Cordoba School, moet herhaaldelijk gedwongen de deuren sluiten. Dagelijks staan kinderen en docenten op hun weg van en naar school bloot aan verbale en fysieke mishandeling door soldaten en kolonisten. Ook ikzelf ben meerdere malen door zowel soldaten als kolonisten aangevallen. Op dagen dat de situatie op straat escaleert, wordt de school gesloten of de weg ernaartoe gebarricadeerd. De weg van en naar school is door de angst voor aanvallen door kolonisten en soldaten een dagelijkse beproeving. Op dagen dat de school gesloten is, worden de kinderen naar huis gestuurd en krijgen zij dus niet het onderwijs waar zij recht op hebben. Andere, veiligere routes naar de school zijn er niet, waardoor de mate waarin de kinderen onderwijs kunnen genieten geheel afhangt van de veiligheid van de straten rond de school. Een situatie waar de kinderen zelf geen enkele invloed op kunnen uitoefenen.

Al deze problemen demonstreren de worsteling van Palestijnse kinderen. Een dertien jaar oude jongen uit Tel Rumeida vertelde mij dat hij zijn rol in de gemeenschap ziet als ‘op school blijven, in leven blijven en nooit bevelen van soldaten op te volgen’. Een twaalfjarig meisje uit Tel Rumeida zei mij dat het haar verantwoordelijkheid was ‘zich te verzetten tegen de bezetting en niet te rusten totdat deze eindigt’.

De wilskracht van de kinderen om zich waar mogelijk te verzetten tegen de bezetting geeft de Tel Rumeida-gemeenschap enige hoop. Ondanks de ‘gesloten militaire zone’ en verergerende toestand in Tel Rumeida, blijven de bewoners van Tel Rumeida in de voorhoede van het verzet. Het bewijs: ondanks de pogingen van de bezetters de joodse nederzettingen uit te breiden, ondanks de toenemende onderdrukking, hebben zij Tel Rumeida niet verlaten.

Gedurende mijn tijd in Al-Khalil heb ik niet alleen kennis genomen van de ontberingen van de bezetting, maar leerde ik ook een heel andere kant van Al-Khalil kennen. Het is een bruisende stad, waar eten, vrienden en familie van groot belang zijn en waar geen dag voorbij ging zonder dat iemand me uitnodigde voor koffie of thee en een goed gesprek. Een stad waar kinderen, levend te midden van Israëlische soldaten en kolonisten, nog aspiraties, hoop en dromen hebben voor een betere toekomst voor henzelf en Palestina. Waar verzet deel is van het dagelijks leven en dagelijkse praktijken van belang zijn voor hun strijd voor vrijheid. Waar de stemmen en meningen van kinderen serieus genomen moeten worden want, zoals elke andere Palestijn, leven ze onder een bezetting en hebben ze waardevolle verzetsdaden in hun dagelijks leven geïntegreerd. Wat natuurlijk niets afdoet aan het feit dat de systematische onderdrukking en voortdurende etnische zuiveringstechnieken van de bezetting niet langer kunnen worden genegeerd. Het is aan ons om onze overheden verantwoordelijk te stellen voor hun steun aan de bezettingsmacht van Israël en om bewustwording te creëren omtrent de Palestijnse kwestie in ons eigen land.

Nora John werkt aan de Universiteit van Amsterdam aan een master

vertaling: Sarah Aly

 

<strong>Israel trekt 26 miljoen dollar uit voor cyberaanvallen op BDS-beweging en op moslimse sociale media in het Westen</strong>

Sarah Lazare

De Israelische regering is van plan alleen al dit jaar een bedrag van 26 miljoen dollar te besteden aan een geheime cyberoperatie om de wereldwijde mensenrechtenbeweging voor BDS (Boycot, Desinvesteren en Sancties) aan te vallen en te saboteren. Forse bedragen worden beschikbaar gesteld aan technologiebedrijven om moslimactivisten in de Verenigde Staten en in Europa te bespioneren.

Associated Press-journalist Daniel Estrin schreef afgelopen week over dit spionage-initiatief. Afgelopen januari was hij door de organisatoren uitgenodigd om verslag te doen van een privé cybertechnologieforum voor Israelische ontwikkelaars.

BDS is de internationale beweging die zich ten doel heeft gesteld om door middel van boycot, desinvesteren en sancties Israel te dwingen zich aan internationale rechtsregels te houden. Daartoe is in 2005 door 150 Palestijnse maatschappelijke organisaties opgeroepen. Deze oproep om wereldwijd dezelfde tactieken toe te passen die aan de Zuid-Afrikaanse apartheid een eind maakten, heeft inmiddels internationaal de steun gekregen van kunstenaars, academici, studenten en mensenrechtenactivisten.

Het Boycott National Committee stelde onlangs dat de forse bedragen die Israel beschikbaar stelt om de beweging tegen te werken, aantoont dat ‘onze soft power werkelijk effect heeft’. Zozeer dat Hillary Clinton zich in haar verkiezingscampagne genoopt zag BDS aan te vallen en toezegde als president daartegen ten strijde te zullen trekken.

Over het spionage-initiatief om de aan kracht winnende BDS-beweging aan te pakken, n waarvoor de benodigde financiële middelen dit jaar in Israels begroting zijn opgenomen, geeft Estrin weinig details. Hij beschrijft een plan dat door ‘enkele topmensen uit de geheime diensten’ is opgesteld. Onder hen Sima Shine, een voormalige topfunctionaris van de MOSSAD [Israels buitenlandse inlichtingendienst] en Vaknin-Gil, die onlangs terugtrad als Hoofd Militaire Censor om vervolgens de leiding over het Ministerie voor Strategische Zaken en Publieke Diplomatie op zich te nemen. Ook het Ministerie van Buitenlandse Zaken is bij het spionage-initiatief betrokken.

Een van de organisatoren van het anti-BDS-initiatief is Elad Ratson, een functionaris van Buitenlandse Zaken die niet bepaald bekend staat om zijn diplomatieke stijl. Op de sociale media pakt hij regelmatig fors uit. Zo stuurde hij bedreigende beelden van een bomaanslag naar tenminste één Franse website die islamofobie wil bestrijden.

Moslimse sociale media in het buitenland zouden volgens Ratson het voornaamste doelwit van het spionage-initiatief moeten zijn, aldus Estrins AP-bericht.

Veel online activisten die via de sociale media een anti-Israel-campagne voeren, zijn handig met techniek en zijn tweede en derde generatie moslims in Europa en in de Verenigde Staten. Zij koesteren een grote wrok jegens het Westen en leiden online campagnes tegen Europese regeringen en de Amerikaanse regering.Hij stelt voorts dat zij vaak een code creëren waarmee zij duizenden berichten via social media-accounts kunnen uit zenden en daarmee de indruk wekken dat veel activisten hun anti-Israelische of anti-Westerse boodschap delen.

In antwoord op de progressieve website Alternet, zei Estrin dat het spionage-initiatief om BDS te saboteren, onthuld was op een conferentie ‘waar ook andere journalisten aanwezig waren’. Hij weigerde echter de vraag te beantwoorden of de conferentie voor alle journalisten toegankelijk was geweest. Verder verwees hij door naar Ratson, die hij omschreef als een ‘aardige vent’.

Ratson reageerde niet op de vraag die hem via de sociale media was voorgelegd wie precies binnen het spionage-vangnet vallen en op welke gronden.

In een tijd waarin moslims in Europa en in de Verenigde Staten met wantrouwen worden bezien baart het Israelische spionage-initiatief zorgen. ‘Het gaat hier om een cynische poging van Israel de groeiende antimoslimstemming in het Westen uit te buiten, teneinde kritiek op Israel – op welk platform dan ook – het zwijgen op te leggen’, stelt Rahul Saksena, advocaat van de lobbyorganisatie Palestine Legal, tegenover Alternet. ‘Wij hebben al studenten gezien – moslimstudenten in het bijzonder – die door pro-Israel lobbygroepen tot doelwit zijn verklaard, nadat zij gebruik hadden gemaakt van hun recht om te lobbyen voor Palestijnse mensenrechten. Dit initiatief zal zeker het bewakingsregime jegens hen versterken.’

In zijn artikel over het bestempelen van moslims tot doelwit laat Estrin na het aspect van burgerrechten niet aan de orde te stellen. Sterker, de journalist roept het schrikbeeld op van de Islamitische Staat, waarbij hij deze organisatie op een lijn stelt met moslims die de buitenlandse politiek van het Westen bekritiseren. Hij schrijft:

Ratson zei dat de grote social media-bedrijven zijn begonnen opruiende gebruikersaccounts af te sluiten. Twitter stelde deze maand dat het sinds medio 2015 ruim 125.000 accounts had afgesloten die ‘dreigden met, of opriepen tot terroristische acties, vooral gerelateerd aan ISIS’ [de IS]. Maar hij zei dat islamitische activisten vervolgens naar ‘Darknet’-sites zijn uitgeweken, die op het open internet niet zichtbaar zijn.

Hoe onterecht deze framing ook mag zijn, Estrins rapport maakt een ding duidelijk: Israel staat klaar om de crackdown-campagne naar niet eerder vertoonde niveaus op te voeren. Een onbekend aantal Israelische hightech-bedrijven dreigt een golf van cyberaanvallen te ontketenen, met behulp van onder meer ‘geniepige algoritmes om het bereik van online activisten’ aan banden te leggen en om ‘forensische informatie te verzamelen – zoals het ontdekken van digitale of semantische handtekeningen die in coderingen van activisten verborgen zitten – zodat zij in staat zijn hun online activiteiten te volgen en aan banden te leggen’.

Deze sabotagedaden zullen hand in hand gaan met ‘een stroom content waarin een positief beeld van Israel wordt geschetst’.

De non-profit-organisatie Firewall Israel, gesponsord door het Reut Instituut – een aan de Israelische overheid gelieerde denktank – is bezig ‘een online platform op te zetten dat pro-Israelische activisten in de hele wereld moet helpen informatie uit te wisselen over anti-Israelisch activisme in hun gemeenschappen’, zo wordt in het artikel gesteld.

Zoals journalist Ali Abunimah in 2010 al schreef, drong het Reut Instituut als zes jaar geleden bij de Israelische regering aan een strategie uit te zetten om het zogenoemde ‘delegitimatienetwerk, bestaande uit de brede, gedecentraliseerde en informele beweging voor vrede en rechtvaardigheid, en BDS-activisten over de hele wereld te saboteren’.

De denktank, zo stelt Abunimah, gaat het vooral om protesten tegen bezoeken van Israelische functionarissen aan universiteiten, de Israel Apartheid Week, activisme vanuit kerken en vakbeweging en ‘lawfare’ – het inzetten van universele jurisdictie om beweerde Israelische oorlogsmisdadigers juridisch aansprakelijk te stellen’.

In publicaties uit juni 2015 roept de denktank op tot waakzaamheid – jegens moslimgemeenschappen in het bijzonder. Het instituut stelt dat ‘de delegitimatie van Israel primair gedreven is door de zogenoemde rood-groene alliantie – dat wil zeggen tussen de radicaal-linkse beweging en moslimgroepen die coalities proberen te smeden met mainstream groepen’.

Het Reut Instituut gaat verder. Zo beweert het dat alleen al de aanwezigheid van moslims in Europa een demografische dreiging voor Israel vormt en stelt het dat ‘in Europa, als gevolg van de demografische groei van moslimgemeenschappen, de publieke opinie aan het veranderen is ten nadele van Israel en de joden’.

bron: Alternet, 22 februari 2016

Sarah Lazare is stafmedewerker van AlterNet

vertaling: Teun Bots

 

<strong>Oorlogsmisdaden - de desastreuze gevolgen van het Gaza-offensief van zomer 2014 – de cijfers</strong>

driekwart van de Palestijnse doden is burger, 7 miljard dollar aan schade

Volgens het Palestinian Center for Human Rights (cijfers per 14 september 2014) zijn tijdens het Israelische offensief tegen Gaza 2188 Palestijnen omgekomen, van wie 1658 burgers (75,7 procent).

Onder die 1658 burgerdoden bevonden zich 598 kinderen (24 procent van het totaal aantal doden). Van de omgekomen kinderen was 70 procent jonger dan 12 jaar. Voorts raakten 10.895 Palestijnen gewond, overwegend burgers, van wie 2114 vrouwen (19,3 procent) en 3306 kinderen (30,3 procent).

Heel veelzeggend: 85 procent van de doden kwamen in hun huis om (van 91 gezinnen kwamen alle leden om).

Volgens de Verenigde Naties vielen er aan Israelische zijde 73 doden, van wie 6 burgers (8 procent) – anders gezegd 92 procent van de Israelische doden was militair (vergelijk dit met de bijna 76 procent burgerdoden aan Palestijnse zijde).

De Verenigde Naties stelden voorts vast dat er 244 scholen zijn beschoten en dat één school door Israelische soldaten als militair steunpunt is gebruikt.

Door de mensenrechtenorganisatie Al-Mezan is gedocumenteerd dat er tenminste 10.920 woonhuizen al dan niet zwaar zijn beschadigd en er 2853 volledig zijn verwoest. Rond 100.000 Palestijnen zijn dakloos geworden. Een groot aantal van hen is ondergebracht in UNRWA-scholen.

Vier ziekenhuizen en vijf klinieken moesten vanwege ernstige schade worden gesloten, terwijl 17 van Gaza’s 32 ziekenhuizen en 45 van de 97 klinieken voor primaire gezondheidszorg aanzienlijke schade opliepen.

Volgens de UNRWA werden 22 scholen volledig verwoest en raakten 118 andere ernstig beschadigd.

Tachtig procent van de gezinnen in Gaza is niet langer in staat om in zijn voedselbehoefte te voorzien en is afhankelijk van voedselhulp. Rond 450.000 (dat wil zeggen één op de vier) Palestijnen beschikt niet over drinkwater. De meeste huishoudens beschikken slechts enkele uren per dag over elektriciteit, nadat de enige elektriciteitscentrale in Gaza bij een Israelische luchtaanval zwaar beschadigd raakte.

De kosten van de wederopbouw zijn geraamd op ruim 7miljard dollar.

naschrift 2016

Sinds 2014 is de wederopbouw is nauwelijks van de grond gekomen. Van de 3,5 miljard dollar die in het najaar van 2014 op een donorconferentie in Caïro door donorlanden voor wederopbouw was toegezegd en die over een periode van drie jaar beschikbaar gesteld zou worden, is twee jaar later nog maar 1,4 miljard dollar (31 procent) daadwerkelijk uitbetaald. De Israelische blokkade – en de daaruit voortvloeiende restricties ten aanzien van, en de strikte controle van het goederenverkeer – vormt daarnaast een grote belemmering voor de invoer van bouwmaterialen. Het gevolg is, dat nog altijd 75.000 Palestijnen dakloos zijn (cijfers van de Wereldbank; april 2016). In het algemeen ligt de infrastructuur in puin. Als gevolg van dit alles is de economie vrijwel tot stilstand gekomen. Gaza kent momenteel het hoogste werkloosheidspercentage ter wereld.

Het aantal gewonde en getraumatiseerde Palestijnen is groot.

Tot nu toe is geen enkele Israelische militair of politicus voor begane oorlogsmisdaden – als gedocumenteerd in het rapport van juni 2015 van de Onafhankelijke Onderzoekscommissie van de VN – door de internationale gemeenschap ter verantwoording geroepen.

Wilt u een abonnement op Soemoed nemen?