februari-maart 2021 | nr 2

Inhoud | jaargang 49, nummer 2 |
  • Internationaal Strafhof (ICC) bevoegd om misdaden in Palestina te berechten: een beslissende stap ? (pp. 4-6).
  • Relatie joodse Israeli’s/Israelische Palestijnen in cijfers – een recente opiniepeiling van het Israel Democracy Institute (p. 7).
  • De laatste nagel in de doodskist van zionistisch-links (pp. 8-9).
  • Israelische politieke partijen (p. 10).
  • Drie decennia na zijn dood is de haatdragende boodschap van rabbijn Me’ir Kahane populairder dan ooit (pp. 11-14).
  • Hoe een islamistische partij Israels onwaarschijnlijke kingmaker werd (pp. 15-16).
  • Israel – uitslag algemene verkiezingen – 23 maart 2021 (p. 17).
  • Palestijnse jongeren: achter de wolken schijnt de zon (pp. 18-24).
  • Palestina 2021 – drie verkiezingsrondes (p. 25).
  • Verkiezingen in Palestina: een sprong in het duister voor FATAH en HAMAS (pp. 26-29).
  • Kunnen verkiezingen een eind maken aan de onderlinge verdeeldheid ? (pp. 30-32).
  • Tegenstrijdige verwachtingen in Palestina te midden van de registratie van ruim dertig kieslijsten (pp. 33-34).
  • Shin Bet zet HAMAS-activisten onder druk om niet aan de Palestijnse verkiezingen deel te nemen (pp. 35-36).
  • Palestijnen en hun leiders: herstel van de PLO (pp. 37-39).

Redactioneel
vier verkiezingen

In dit nummer van Soemoed gaat het vooral over verkiezingen in Israel/Palestina.

In Israel hebben op 23 maart voor de vierde maal in twee jaar tijd verkiezingen plaatsgevonden voor de samenstelling van de Knesset – het Israelische parlement. Daarbij is de rechtse Likoed van premier Benjamin Netanyahoe opnieuw als grootste uit de bus gekomen, maar deze heeft het in het versnipperde politieke landschap ook nu weer moeilijk om een coalitieregering te vormen die over een meerderheid van zetels in de Knesset beschikt. Op naar een vijfde verkiezingsronde ?

De verkiezingen hebben daarnaast twee zaken duidelijk gemaakt: de doorbraak van de rechts-radicale Religieus Zionistische Partij en de neergang van de (pro-)Palestijnse Gezamenlijke Lijst.

De Religieus Zionistische Partij is een lijstverbinding van drie rechts-radicale en joods-orthodoxe partijtjes, waaronder Joodse Macht – de Ku Klux Klan van Israel die militant onversneden joodse suprematie uitdraagt. Samen wisten zij 6 van de 120 Knesset-zetels te behalen. Voor Netanyahoe – die instrumenteel is geweest in het tot stand brengen van samenwerking tussen de drie – zijn die 6 zetels inmiddels onontbeerlijk om een coalitieregering te kunnen vormen.

Joodse Macht is vóór segregatie, vóór volledige annexatie, vóór een Groot-Israel dat niet alleen de Westelijke Jordaanoever maar ook Jordanië omvat, en vóór ‘transfer’ (etnische zuivering) van Palestijnen.

Joodse Macht spreekt daarbij openlijk uit wat veel breder in rechts-radicale kring leeft. De partij zal vanuit de Knesset – wellicht vanuit de regering – een rechts-radicale aanjager zijn en er zo toe bijdragen dat het politieke klimaat in Israel/Palestina jegens de Palestijnen nog grimmiger wordt. Een toename van geweld tegen Palestijnen – maar ook tegen sommigen in joods-Israelische kring – in het verlengde daarvan ligt.

De neergang van de (pro-)Palestijnse Gezamenlijke Lijst – die bij de voorlaatste verkiezingen met 15 Knesset-zetels als derde partij uit de bus was gekomen, na Likoed en Blauw & Wit – is ingezet met het vertrek van de islamistische Verenigde Arabische Lijst uit een lijstverbinding van vier partijen. De scheurmaker Verenigde Arabische Lijst wist haar positie met 4 zetels te consolideren, terwijl de Gezamenlijke Lijst behalve de 4 zetels van de Verenigde Arabische Lijst daarbovenop nog eens 5 zetels verloor en nu met nog maar 6 zetels in de Knesset vertegenwoordigd is. De sterk gedaalde opkomst van Palestijnse kiesgerechtigden – men heeft aanstoot genomen aan de interne verdeeldheid en moet daarnaast steeds weer constateren dat Palestijnse politieke partijen buiten de regering worden gehouden – vormt voor dit slechte resultaat de belangrijkste verklaring.

Nadat er vijftien jaar in de bezette Palestijnse Gebieden geen verkiezingen zijn gehouden, zijn door de president van het Palestijns Nationaal Gezag (PNA), Mahmoud Abbas, in januari drie verkiezingen in minder dan vier maanden tijd uitgeschreven. Daarbij gaat het om de samenstelling van de Palestijnse Wetgevende Raad (PLC) – het parlement van de PNA (22 mei), gevolgd door de verkiezing van een nieuwe PNA-president (31 juli) en tenslotte (31 augustus) voor de samenstelling van de Palestijnse Nationale Raad (PNC) – het parlement van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO).

Waarom vijftien jaar geen verkiezingen en nu dan ineens drie op een rij ? De timing heeft alles te maken met de verkiezingsoverwinning van Joe Biden: het houden van verkiezingen zal verbetering van de relatie met Washington bevorderen – zo denken Abbas en de zijnen. Na vier rampzalige Trump-jaren wordt aan dat laatste hoge prioriteit gegeven.

Het mag duidelijk zijn dat er grote vraagtekens geplaatst moeten worden bij verkiezingen die in een situatie van bezetting plaatsvinden. Immers, een uitslag die de bezetter niet aanstaat, zullen die verkiezingen niet kunnen opleveren. De bezetter zal de uitslag zoveel mogelijk proberen te beïnvloeden. Dat is dan ook wat wij in de aanloop naar de algemene verkiezingen van 22 mei zien gebeuren: intimidatie en arrestatie door de Israelische binnenlandse inlichtingendienst Shin Bet van kandidaten die zich krachtig tegen de bezetting uitspreken. De PNA-leiding laat zich op dit punt evenmin onbetuigd: kandidaten met kritiek op de politieke keuzes en de corruptie van de PNA-leiding krijgen het van Palestijnse inlichtingendiensten eveneens zwaar te verduren.

Zou dit alles niet de gewenste uitslag opleveren, dan kan er altijd nog naar andere methoden gegrepen worden. Zo is in 2007 in een gezamenlijke actie van Israel, de Verenigde Staten en FATAH een poging tot staatsgreep gedaan tegen de kort daarvoor wettig gekozen HAMAS-regering in de Strook van Gaza. De couppoging mislukte. Het al lang sluimerende conflict tussen HAMAS en FATAH is daardoor verder verscherpt en heeft zich verder verdiept – zozeer dat men er 14 jaar later  maar niet in kan slagen te komen tot de vorming van een regering van nationale eenheid. De belangen van de Palestijnen in de bezette Palestijnse Gebieden die daar onder uiterst moeilijke omstandigheden leven, zijn daarmee bepaald niet gediend.

Ook de PNA-presidentsverkiezingen van 31 juli zijn met veel vraagtekens omgeven, terwijl het nog altijd de vraag is of de verkiezingen voor de PNC/PLO van 31 augustus wel doorgang zullen vinden.

Palestina 2021 – drie verkiezingsrondes

Na vijftien jaar geen verkiezingen  te hebben gehouden, is door de president van het Palestijns Nationaal Gezag (PNA), Mahmoud Abbas, opgeroepen tot het houden van niet één maar drie verkiezingen dit kalenderjaar. Daarbij gaat het om de samenstelling van de Palestijnse Wetgevende Raad (PLC) – het parlement van de PNA, gevolgd door de verkiezing van een nieuwe PNA-president en voor tenslotte de samenstelling van de Palestijnse Nationale Raad (PNC) – het parlement van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO).

PNA: Palestijnse Wetgevende Raad (PLC)

De verkiezingen van 22 mei gaan om de samenstelling van de 132 zetels tellende PLC – het wetgevende orgaan van de PNA – die de Palestijnen in de Strook van Gaza en op de Westelijke Jordaanoever moet representeren. De raad controleert de premier en het kabinet, die de stemmen van een meerderheid van de leden van de Raad nodig hebben om deze posten te bekleden.

De eerste PLC is in 1996 gekozen zonder vaste termijn omdat de Oslo-Akkoorden die de oprichting van de PNA/PLC regelden, betrekking hadden op een interim-periode van drie jaar (inmiddels zijn wij 28 jaar verder). Nadien is de zittingstermijn bepaald op [formeel] vier jaar.

De eerste PLC stelde een grondwettelijk document op – de zogeheten Basiswet – dat in 2003 door PNA-president Yasser Arafat is ondertekend. Uiteindelijk zijn er pas in 2006 opnieuw PLC-verkiezingen gehouden.

Nadat deze door HAMAS waren gewonnen, heeft haar politieke rivaal FATAH door middel van een staatsgreep geprobeerd de stembusuitslag teniet te doen. Die staatsgreep mislukte, waarna een periode van grote politieke instabiliteit is gevolgd. Deze heeft geleid tot een splitsing tussen de Strook van Gaza (HAMAS) en de Westelijke Jordaanoever (FATAH). Het functioneren van de PLC is als gevolg daarvan feitelijk opgeschort.

HAMAS hield een tijdlang vol dat de PLC nog steeds een rechtsgeldig orgaan was dat in Gaza bijeenkwam. Op de Westelijke Jordaanoever verklaarde een in 2019, op instigatie van FATAH, opgericht Constitutioneel Hof de PLC voor ontbonden.

Een in mei 2021 nieuw samengestelde PLC zal alle wetgeving moeten herzien die sinds 2007 buiten haar om door PNA-president en diens kabinet is uitgevaardigd en haar steun moeten geven aan een Palestijnse premier, het voltallige kabinet en hun politieke programma. Daarbij zal de PLC-voorzitter – overeenkomstig de Basiswet – als interim-president fungeren in afwachting van nieuwe presidentsverkiezingen die binnen een termijn van zestig dagen moeten plaatsvinden.

PNA: presidentsverkiezingen

De presidentsverkiezingen voor de PNA staan gepland voor 31 juli. Arafat won de eerste presidentsverkiezingen in 1996 met overmacht. Net als in het geval van de PLC was er aanvankelijk geen vaste termijn voor de post van PNA-president. Inmiddels bedraagt die termijn [formeel] vier jaar. Nadat Arafat in 2004 was overleden, is hij – overeenkomstig de Basiswet die toen al in werking was getreden – tijdelijk opgevolgd door de voorzitter van de PLC. Begin 2005 is Abbas in presidentsverkiezingen gekozen tot de nieuwe president van de PNA (in 2012 zou de PNA zich omdopen tot ‘de Staat Palestina’).

PLO: Palestijnse Nationale Raad (PNC)

De verkiezingen voor de PNC – het parlement van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO), die sinds 1974 door de Arabische Liga wordt erkend als de enige wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk, een jaar later gevolgd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties – staan gepland voor 31 augustus. De PNC telt 747 leden, afkomstig uit zowel de bezette Palestijnse Gebieden als uit de Palestijnse diaspora.

De eerste entiteit die zichzelf de PNC noemde, kwam in 1948 bijeen in Gaza. Zij riep de vestiging van een staat uit in het gehele grondgebied van Palestina en keurde een interim-kabinet goed. Veel van haar werkzaamheden zijn nadien in de vergetelheid geraakt.

In 1964 is een tweede PNC-bijeenkomst  belegd in het deel van Jeruzalem dat in 1950 door Jordanië was geannexeerd. Op deze vergadering is de PLO in het leven geroepen, als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk.

In latere jaren zijn tijdens PNC-vergaderingen andere belangrijke stappen gezet, zoals het opnieuw uitroepen van de onafhankelijkheid in 1988, het kiezen van de PLO-voorzitter en de vorming van het Uitvoerend Comité van de PLO.

De PNC is samengesteld op basis van een quotasysteem, waarbij zetels worden toegekend aan politieke groeperingen, vakbonden, gemeenschappen in de diaspora, intellectuelen en anderen.

Onderhandelingen om de later geformeerde Islamitische Jihad en HAMAS in de PNC op te nemen, zijn herhaaldelijk vastgelopen omdat de PLO-leiding de beide organisaties minder zetels aanbood dan de organisaties op grond van hun politieke gewicht en populariteit toekwamen.

Verkiezingen zijn door de jaren heen in de praktijk nauwelijks haalbaar gebleken vanwege de geografische verspreiding van de Palestijnen en de belemmeringen voor het uitbrengen van de stemmen in sommige politieke contexten. Omdat deze belemmeringen niet zijn weggenomen, lijkt het decreet om verkiezingen voor de PNC te houden eerder een wens dan een belofte.

De diverse Palestijnse politieke groeperingen waaronder HAMAS hebben ermee ingestemd om bovengenoemde belemmeringen – waar mogelijk – op korte termijn en in goed overleg weg te werken.

bron: Nathan Brown & Zaha Hassan, ’Slightly dialling back the cynicism about Palestine’s upcoming elections’; Carnegie Endowment for International Peace, 4 maart 2021 (fragment; aangevuld)

Palestijnen en hun leiders: herstel van de PLO

Marwa Fatafta

Terwijl de corona-pandemie over de hele wereld grote persoonlijke ontberingen, verlies van mensenlevens en financiële chaos blijft veroorzaken, en terwijl Israel op het punt blijft staan delen van de Westelijke Jordaanoever de jure te annexeren, moet het Palestijnse volk de crisis omzetten in kansen.

In plaats van te wachten tot Israel het Palestijns Nationaal Gezag (PNA), dat in het kader van de Oslo-Akkoorden als interim-bestuursorgaan werd opgericht, langzaam wurgt, is het de hoogste tijd om de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) van de PNA los te maken en te werken aan het herstel van het mandaat, de representativiteit en de verantwoordingsplicht van de PLO tegenover het volk dat zij pretendeert te vertegenwoordigen.

Kunnen wij ons een representatief en toetsbaar leiderschap voorstellen dat de Palestijnen in staat stelt bij te dragen tot de politieke beslissingen die hun leven bepalen, dat hun mogelijkheden tot actie biedt en dat als arena dient voor Palestijns politiek engagement en Palestijnse participatie ? Misschien kunnen wij door enkele uitdagingen uit het verleden de revue te laten passeren, ons een alternatieve toekomst voorstellen waarin een representatieve en verantwoordingsplichtige PLO de spil is van de Palestijnse strijd voor bevrijding en zelfbeschikking.

de mythe van de vertegenwoordiging

De voornaamste missie van de PLO als de ‘enige legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk’ is alle Palestijnen te vertegenwoordigen – over de versplinterde geografische en ideologische grenzen heen. In haar beginjaren was de PLO speerpunt van de nationale bevrijdingsbeweging en slaagde zij erin om – na de nederlaag van 1967 – de diverse Palestijnse verzetsorganisaties onder één paraplu samen te brengen. De PLO creëerde ook gemeenschapsstructuren en verenigingen in vluchtelingenkampen, ook in de diaspora, en belangrijke ontwikkelingsinstellingen.

Deze aanpak hield de PLO gaande van de jaren zestig tot de jaren tachtig. Met een aantal opmerkelijke successen, waaronder de wereldwijde erkenning van de Palestijnen als volk, met de PLO als zijn enige legitieme vertegenwoordiger. Toch zijn bevrijding en zelfbeschikking niet bereikt en is er geen verantwoording afgelegd voor het mislukken daarvan, noch onder het leiderschap van wijlen Yasser Arafat, noch onder dat van Mahmoud Abbas. Integendeel, zelfs nu nog blijft de discussie over de huidige leiderschapscrisis gegijzeld door persoonlijke ambities. De vaak gestelde vraag is: wat gebeurt er na Mahmoud Abbas ? Dit weerspiegelt niet alleen het persoonlijke karakter van het Palestijnse leiderschap, maar dringt ook de Palestijnse politiek als zodanig naar de achtergrond.

Sinds de jaren negentig schommelt de relatie tussen de PLO en het Palestijnse volk tussen massale betrokkenheid en desinteresse. Echter, niet eerder gaapte er zo’n brede kloof tussen de Palestijnse bevolking en het leiderschap als nu.

Het oorspronkelijke doel van het mobiliseren van de Palestijnse gemeenschappen was de strijd voor de bevrijding van Palestina. Artikel 11 van het Palestijnse Nationale Handvest (1968) stelde dat ‘de Palestijnen drie motto’s hebben: nationale eenheid (wihda wataniyya), nationale mobilisatie (ta’bi’a qawmiyya), en bevrijding (tahreer)’. Deze missie gaf de PLO een solide basis van legitimiteit en macht. Haar mandaat kwam echter onder druk te staan toen de Palestijnse Nationale Raad (PNC; het parlement van de PLO) op zijn bijeenkomst in 1988 in Algiers de politieke strategie formeel verlegde van de strijd voor de bevrijding van geheel Palestina naar een twee staten-oplossing.

De verschuiving in de PLO-strategie heeft drie dingen betekend. Ten eerste, door de strijd voor de bevrijding van geheel Palestina op te geven en zich te concentreren op de vorming van een staat, verplaatste de PLO haar politieke gewicht en focus van de Palestijnse diaspora en vluchtelingengemeenschappen naar de Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza. Daarmee begon de kloof tussen het Palestijnse volk en zijn vertegenwoordiger, die nog werd vergroot door het mislukken van de Oslo-Akkoorden, die in de jaren negentig door Israel en de PLO werden ondertekend, en de oprichting van de PNA.

Ten tweede vertaalde de verandering in de missie van de PLO zich niet in een verandering in haar organisatorische en besluitvormingsstructuur, hetgeen resulteerde in verdere verlamming en inefficiëntie. De besluitvorming van de PLO was gebaseerd op een quotasysteem, waarin de Palestijnse verzetsorganisaties in plaats van de Palestijnse gemeenschappen waren vertegenwoordigd. Hoewel de PNC zetels had toegekend aan Palestijnse intellectuelen, vakbonden, vrouwengroepen, studenten, en andere georganiseerde lichamen – en sommige zetels onafhankelijk waren of in handen van andere facties – waren velen gelieerd aan FATAH, die de PLO sinds 1968 had gedomineerd.

Aangezien de leiding van de PLO niet werd gekozen, werd de selectie van vertegenwoordigers voor haar verschillende organen eerder een oefening in machtsdeling dan een weerspiegeling van de veranderende samenstelling van de Palestijnse politieke macht. Dit verklaart ten dele de overheersing van de PLO door FATAH en de uitsluiting van de islamistische bewegingen HAMAS en Islamitische Jihad.

De overeenkomst tussen 12 Palestijnse facties in 2005 – bekend als de Verklaring van Caïro – benadrukte de noodzaak om de PLO te hervormen op basis van consensus van alle Palestijnse facties. In feite is dit een verkeerde voorstelling van wat hervorming betekent: het akkoord hield in dat de koek onder de Palestijnse facties werd verdeeld, in plaats van dat het Palestijnse volk in staat werd gesteld zijn vertegenwoordigers vrijelijk te kiezen of aan te wijzen. Ook werd ervan uitgegaan dat de Palestijnse facties nog steeds een even relevant instrument voor politieke betrokkenheid waren als in het verleden.

Ten derde was het oorspronkelijke sociale contract tussen de PLO en het Palestijnse volk erop gericht de Palestijnen te mobiliseren voor gewapende strijd en nationale bevrijding. Maar het project van de vorming van een staat betekende het opgeven van dit doel voor één waarin slechts een deel van het Palestijnse volk door een eigen regering als ‘burgers’ zouden worden gediend. De PNA vormde de administratieve, organisatorische en politieke basis – oorspronkelijk bedoeld als interim – waarop de Palestijnse leiders de toekomstige Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza wilden bouwen op basis van de grenzen van 1967 [Juni-Oorlog]. Bovendien verzekerde de toevloed van buitenlandse hulp de PNA van haar plaats als bestuurder van het Palestijnse volk op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza, en als de feitelijke Palestijnse vertegenwoordiger in de betrekkingen met Israel en in ‘het vredesproces’. De relevantie van de PLO voor de nationale beweging nam zo verder af. De Palestijnse gemeenschappen in vluchtelingenkampen en in de diaspora werden steeds meer gemarginaliseerd.

Kortom, ondanks het vertegenwoordigingsmandaat van de PLO, versterkt door de internationale erkenning in 1974, zijn er nooit verantwoordingsmechanismen binnen de PLO geweest die het de Palestijnen mogelijk zouden maken geraadpleegd te worden over politieke beslissingen die in hun naam worden genomen. Zoals Osamah Khalil betoogt, hadden de PNC en het Uitvoerend Comité (EC) van de PLO op papier misschien een democratisch mandaat, waarbij het eerste diende als ‘het parlement voor alle Palestijnen’ en het tweede als de uitvoerende arm daarvan. Maar in werkelijkheid oefent het EC grote besluitvormende bevoegdheden uit, ook op begrotingsgebied, terwijl de PNC in feite functioneert als een rubberstamp voor de besluiten van de EC.

een weg naar vernieuwing ?

Nu er een duidelijk vacuüm is in het leiderschap moeten wij ons afvragen wat er gedaan moet worden om de PLO opnieuw relevant te maken. Ten eerste – en dat is het belangrijkste – moet de PLO volledig worden gescheiden van de PNA; en ten tweede moeten verantwoordingsmechanismen worden ingesteld die een belangrijke rol spelen in het functioneren van de PLO.

De scheiding tussen de PLO en de PNA is om verschillende redenen van essentieel belang. Ten eerste zijn onder het persoonlijke, niet-democratische bewind van de huidige en vroegere PLO-voorzitter en PNA-president de instellingen van de PLO en de PNA tot diens verlengde-armconstructie geworden, die dient om zijn bewind te consolideren en zijn besluiten uit te voeren. Toen de ogen en het geld van de internationale gemeenschap zich na Oslo op de PNA richtten, werd de PLO grotendeels machteloos gemaakt.

Anderzijds zien veel Palestijnen, hoewel het project van de vorming van een staat niet is geslaagd, het nog steeds als een van de mogelijke manieren om het recht van het Palestijnse volk op zelfbeschikking te verwezenlijken. Tegelijkertijd is een toenemend aantal Palestijnen van mening dat het nationale project moet terugkeren naar dat van één democratische staat waarin de rechten [van de oorspronkelijke bevolking] volledig worden hersteld en waarin iedereen gelijk en gelijkberechtigd is. Voor beide doelstellingen moeten de Palestijnen aanzienlijke macht genereren, meer dan zij in de jaren zestig en zeventig konden opbrengen, en die macht kan niet worden gegenereerd zonder de PLO.

Om doeltreffend te zijn, moet de PLO echter verantwoording afleggen aan het Palestijnse volk.

Het begrip verantwoordingsplicht vloeit voort uit het idee dat degenen aan wie macht en gezag zijn toevertrouwd om hun achterban te dienen, aan deze verantwoording moeten afleggen over de wijze waarop zij hun gezag en middelen aanwenden, ongeacht of zij zijn verkozen of benoemd. Het betekent ook dat de kiezers recht hebben aan hen verantwoording te vragen over hun werkwijze en hun beslissingen, en daarover hun goed- of afkeuring uit te spreken.

Aan die verantwoordingsplicht worden drie cruciale eisen gesteld: transparantie (het publiekelijk openbaar maken van beslissingen, plannen en middelen); verantwoordingsbereidheid (representatieve leiders moeten hun beslissingen verantwoorden tegenover hun bevolking); en afdwingbaarheid (er is een vorm van ‘straf’ wanneer vertegenwoordigers tekortschieten, zoals niet herkozen worden of vervolgd worden door onafhankelijke interne instellingen). De tenuitvoerlegging van deze elementen vereist een democratische herziening van het mandaat, de instellingen en de werkwijze van de PLO.

Om de goede werking ervan te verzekeren, moet niet alleen het Uitvoerend Comité van de PLO verantwoording afleggen aan en gecontroleerd worden door de PNC, zoals nu op papier wel het geval is, maar niet in de praktijk, en moeten beide verantwoording afleggen aan onafhankelijke instanties om te verzekeren dat zij hun mandaat vervullen, hun macht niet misbruiken en vrij zijn van vriendjespolitiek en corruptie. Er moet goed worden nagedacht over de wijze waarop dergelijke onafhankelijke organen worden samengesteld. Eén benadering zou kunnen zijn een panel van gerespecteerde Palestijnse juristen en rechters uit heel Palestina en de diaspora uit te nodigen om die samen te stellen.

Een andere, even belangrijke dimensie van verantwoordingsplicht is de band tussen het volk en de autoriteit die het vertegenwoordigt. In plaats van de 12 Palestijnse facties te bevoorrechten, moet de deur openstaan voor alle Palestijnen om hun volk te vertegenwoordigen indien zij daartoe vrij en eerlijk worden verkozen of geselecteerd. Dit vormt een grote, maar niet onoverkomelijke uitdaging. Er zijn pogingen ondernomen om rechtstreekse verkiezingen te houden waaruit lering kan worden getrokken. Daarnaast zouden de Palestijnse leiders bijvoorbeeld kunnen investeren in het opnieuw opzetten van gemeenschapscentra die fungeren als plaatsen voor openbare hoorzittingen en overleg voor Palestijnen die in verschillende delen van de wereld wonen.

De Palestijnse ambassades en vertegenwoordigingen worden in dit verband vaak over het hoofd gezien. De internationale status van de PLO is nog steeds solide en is versterkt sinds de erkenning van Palestina door de VN in 2012 als niet-lidstaat met waarnemersstatus. De ambassades zouden kunnen bijdragen aan de wederopbouw van het saamhorigheidsgevoel onder de Palestijnse gemeenschappen overal waar zij kantoren hebben, bijvoorbeeld door openbare hoorzittingen te houden waar Palestijnen in de diaspora zich op de hoogte kunnen stellen van de politieke ontwikkelingen en kunnen onderzoeken hoe het leiderschap daarop reageert. Op veel gebieden zullen zij echter hun uiterste best moeten doen om ook anderen dan alleen die leden van de gemeenschap die nauw betrokken zijn bij FATAH en de PNA-leiding, te bereiken.

De Palestijnse politiek heeft altijd onder uitzonderlijke condities moeten functioneren. Maar het is juist deze uitzonderlijkheid die ons ertoe dwingt vragen te stellen over leiderschap, vertegenwoordiging en verantwoordingsplicht. Sterker nog, juist dit unieke karakter vergt verbeeldingskracht en aanpassingsvermogen, vooral tegenover een meedogenloze militaire bezetting en een discriminerend regime, dat vluchtelingen het recht op terugkeer en de Palestijnse burgers van Israel het recht op gelijkheid en gelijkberechtiging ontzegt – een regime dat er belang bij heeft de Palestijnen, zowel het volk als de leiders, gefragmenteerd en verdeeld te houden.

Desalniettemin kent de hedendaagse geschiedenis van het Palestijnse volk talloze voorbeelden van successen in massale politieke organisatie en mobilisatie, zoals de Palestijnse opstand tegen het Britse mandaat in 1936-1939, tijdens de beginjaren van de PLO zelf [de jaren zeventig van de vorige eeuw], en tijdens de Eerste Intifada [1987-1993]. Deze en andere ervaringen kunnen dienen als herinnering en als kompas voor het vermogen van het Palestijnse volk om aan zijn eigen toekomst vorm te geven.

bron: Al-ShabakaThe Palestinian Policy Network (Verenigde Staten), 8 december 2020

Marwa Fatafta is een Palestijnse schrijfster, onderzoekster en beleidsanaliste, gevestigd in Berlijn

vertaling: Frans Brons

Drie decennia na zijn dood is de haatdragende boodschap van rabbijn Me’ir Kahane populairder dan ooit

David Sheen

Dertig jaar geleden, op 5 november 1990 werd rabbijn Me’ir Kahane in New York doodgeschoten – een cruciale gebeurtenis in de Amerikaans-Israelische geschiedenis. Jaren na zijn dood werd de moord beschouwd als de eerste terreuraanslag door krachten die zich later zouden omvormen tot Al-Qa’ida.

De Amerikaans-Israelische rabbijn was een geliefd doelwit: Kahane was het symbool van degenen die zich tegen de islam en moslims keerden. Al zo’n 22 jaar had hij uiterst omstreden uitspraken gedaan; had hij opgeroepen tot opheffing van de Knesset (Israelische parlement) en de oprichting van een rabbijnse heerschappij binnen een joodse theocratie, gebaseerd op zeer strikte interpretaties van de Thora en de Talmoed. Verder had hij openlijk opgeroepen tot etnische zuivering van Palestijnen – en alle andere niet-joden die weigerden joodse apartheid te accepteren – uit Israel en de gebiedsdelen die het had bezet. Waar andere joodse Israeli’s soortgelijke uitlatingen hadden gedaan, ging Kahane verder: hij hield vol dat het doden van degenen die als Israels vijanden konden worden aangemerkt, niet alleen strategisch van belang was, maar ook een daad van aanbidding.

Zijn ideologie leeft na zijn dood nog altijd voort. Bij de algemene verkiezingen in september 2019 behaalde de expliciet kahanistische partij Otzma Yehudit (Joodse Macht) 83.609 stemmen, wat een tiende plaats in een rij van ruim dertig partijen opleverde.

Enkele maanden na de Juni-Oorlog van 1967, toen Israel delen van Egypte, Jordanië en Syrië had bezet en waarbij het territorium onder zijn controle verdrievoudigde, richtte Kahane in zijn geboortestad New York de Jewish Defense League (JDL) op. Hij hoopte hiermee steun voor Israels acties onder joodse Amerikanen te verwerven. In tegenstelling tot het gekuiste verhaal dat kahanisten vandaag de dag uitdragen, hield de JDL en gelieerde groepen niet alleen demonstraties en boycotacties om de Sovjet-Unie onder druk te zetten emigratie van joden toe te staan. Zij werden ook verdacht van aanvallen op woonhuizen, het in brand steken van auto’s en van boekwinkels.

Onschuldige voorbijgangers waren vaak het slachtoffer van JDL-gerelateerde terreuraanvallen in de Verenigde Staten: de drummer in een rockband die een been verloor toen een bom het huis vernietigde van een verdachte nazi-oorlogsmisdadiger; een oudere vrouw die omkwam na het inademen van rook, nadat het Libanese restaurant onder haar appartement in brand was gestoken omdat de eigenaren verdacht werden van banden met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO); hetzelfde overkwam een jonge joodse secretaresse, die stikte toen het kantoor van een bedrijf dat Russische balletdanseressen vertegenwoordigde in brand was gestoken.

Hoewel het ergste geweld van de kahanistische beweging zich in Palestina voltrok, waren bekende Palestijnen in de Verenigde Staten eveneens doelwit.

Kahanisten waren de belangrijkste verdachten in de moord op de populaire Palestijns-Amerikaanse activist Alex Odeh, die werd gedood door een bomaanslag buiten Los Angeles, omdat hij opriep tot een twee staten-oplossing (die minder dan tien jaar later onderdeel werd van Amerikaans beleid). Ten gevolge van de moord op Odeh is een hele generatie Palestijns-Amerikaanse activisten angst aangejaagd en ontmoedigd om nog voor de Palestijnse zaak op te komen.

Toen op basis van FBI-onderzoek steeds duidelijker begon te worden dat Kahane in de gevangenis zou belanden, vluchtte hij naar Israel en vormde daar de politieke partij Kach (Zo !), waarmee hij in 1984 genoeg stemmen haalde voor een zetel in de Knesset (Israelische parlement). Hij introduceerde wetsvoorstellen om onder niet-joden extra belastingen te heffen, hun nationaliteit af te nemen en hen te ontheffen uit iedere machtspositie; verder stelde hij voor huwelijken en zelfs seks tussen joden en niet-joden strafbaar te maken. Velen binnen Israelisch-rechts voelden zich ongemakkelijk bij Kahanes schaamteloze racisme. Tegen het einde van zijn termijn in 1988 werd het hem verboden om zich verkiesbaar te stellen.

In 1994 verklaarde de Israelische regering – destijds onder leiding van de Arbeiderspartij – Kach tot een terroristische organisatie. Zijn beweging was toen al ruim 25 jaar actief en had een spoor van geweld en vernieling achter zich gelaten. Ruim twintig moordenaars waren uit haar rijen opgestaan en meer dan zestig mensen moesten het Kach-geweld met de dood bekopen – overwegend Palestijnen. Anderen schatten dat deze cijfers tweemaal zo hoog lagen, maar zelfs met de eerdergenoemde cijfers is de beweging verantwoordelijk voor méér doden dan welke andere joodse [militante] groep in de achterliggende decennia ook.

Kahanes politieke project

De invloed van de beweging is niet alleen af te meten aan het aantal moorden dat is gepleegd. Kahanisten – zoals de aanhangers van Kahane in Israel worden genoemd – hebben decennialang geprobeerd geweld in te zetten om een oorlog te ontketenen en Israel in een eindeloos gewapend conflict met zijn buurlanden te sturen. Kahanisten denken dat zodra Israels militaire macht onaantastbaar is, joodse legers door het hele Midden-Oosten en daarbuiten moeten trekken, om kerken en moskeeën te verwoesten en moslims en christenen te dwingen hun geloof af te zweren op straffe gedood te worden.

Veertig jaar geleden, tijdens onderhandelingen tussen Israel en Egypte, vielen de JDL en aan haar gelieerde groepen Egyptische doelen in de Verenigde Staten aan, om te voorkomen dat Israel zich uit het sinds 1967 bezette Sinaï-Schiereiland zou terugtrekken. De kahanisten zijn uiteindelijk niet in staat geweest om het eerste Arabisch-Israelische vredesverdrag te torpederen.

JDL-leider en vertrouweling van Kahane Dov Hikind boog zijn anti-Arabische activisme om naar een politieke carrière waarbij hij zesendertig jaar lang een overwegend ultraorthodox gedeelte van Brooklyn vertegenwoordigde in het parlement van de staat New York.

De kahanisten maakten gebruik van hun ervaring in de strijd rond de Sinaï toen in 1993 Israels tweede ‘vredesovereenkomst’ werd opgesteld – deze keer met de PLO. Enkele maanden na ondertekening van de Oslo-Akkoorden in Washington verrichtte een voormalige politieke kandidaat van Kach, Baruch Goldstein, de grootste massaslachting in de Israelische geschiedeins, die door één persoon is aangericht. Hij schoot 29 biddende Palestijnen dood en verwondde er ruim honderd in de Ibrahimi-Moskee in Al-Khalil/Hebron. Tijdens de protesten die hierop volgden, doodde het Israelische leger vermoedelijk nog tientallen Palestijnen. Veertig dagen later – na het verstrijken van de traditionele islamitische rouwperiode – ging HAMAS ter vergelding over tot een reeks zelfmoordaanslagen. In de drie jaren erna zou dit meer dan honderd joodse Israeli’s het leven kostten. Het leidde er tevens toe dat vele joden zich tegen het idee van vrede met de Palestijnen keerden. Kahanisten hebben dan ook gelijk wanneer zij stellen dat zij ‘het vredesproces’ om zeep hebben geholpen toen het  nog maar in de kinderschoenen stond.

Al-Khalil-Hebron, de dichtstbevolkte stad op de Westelijke Jordaanoever, staat symbool voor de invloed van de beweging van Kahane op de Israelische politiek. Deze invloed is gaandeweg toegenomen. In 1983, op de joodse feestdag Purim, beschoot een aanhanger van Kahane een Palestijnse auto in Al-Khalil/Hebron. In reactie hierop besloot de Israelische minister van Defensie de kahanistische nederzetting ter plaatse te ontmantelen. Elf jaar later, in 1994, ging het anders. Nadat Goldstein zijn daad had verricht, eveneens op Purim, stelde de Israelische minister van Defensie een avondklok in voor Palestijnse inwoners van Al-Khalil/Hebron en beval sluiting en afgrendeling van het lokale Palestijnse winkelgebied. Tot op de dag van vandaag is het gebied gesloten. Vorig jaar kondigde de minister aan dat het winkelgebied opgeknapt en opnieuw in gebruik genomen zou worden – door de daar woonachtige joodse kolonisten ! Op dezelfde dag renoveerde de staat het nabijgelegen Kahane Park, waar Goldstein begraven ligt en waar kahanisten samenkomen om Purim te vieren en de massaslachting van Goldstein te herdenken.

rehabilitatie kahanistische beweging

Veel Amerikaanse aanhangers van Kahane reisden hem achterna naar Israel, onder wie Emanuel Rackman, een belangrijke financier van JDL en de rector van de Yeshiva University, die verschillende bestuursfuncties zou bekleden aan de Bar Ilan Universiteit in Israel. Onder Rackmans leiding werd de rechtenopleiding aldaar een broedplaats voor extreemrechts in Israel. De student die als meest berucht bekend stond was Yigal Amir. Geïnspireerd door het bloedbad dat door Goldstein was aangericht, schoot Amir in 1995 in Tel Aviv premier Yitzhak Rabin dood – precies vijf jaar nadat Kahane was doodgeschoten. Het betekende een mokerslag voor het links-liberale zionistische kamp in Israel.

Naast gewapende fanatiekelingen leverde Bar Ilan een generatie aan advocaten die met Kahane sympathiseerden en Israelische terroristen als Amir en zijn medestudenten Baruch Ben Yosef en Aviel Leitner zouden gaan verdedigen. Ben Yosef, die in 1980 een halfjaar gevangen zat voor zijn aandeel in een plan om, met Kahane de Rotskoepel-Moskee in Jeruzalem op te blazen, terroriseerde Palestijnen in Al-Khalil-Hebron en omgeving. In 1985 pleegden Yosef and Keith Fuchs in de Verenigde Staten een aantal dodelijke bomaanslagen, waarbij onder meer Alex Odeh omkwam.

Yosefs studiegenoot Leitner was lid van de kahanistische terreurcel TNT die Palestijnen aanviel en hun auto’s en huizen, evenals de kantoren van de krant Al-Fajr in Jeruzalem in brand stak. In 1984 viel TNT een bus aan, vol Palestijnse arbeiders op weg naar hun dorp vlakbij Ramallah. Vanuit een hinderlaag werd de bus met geweervuur bestookt, waarbij zes mensen gewond raakten. Leitner stond verderop klaar met een vluchtauto.

Nadat zij zich hadden doen gelden met gewapende aanvallen op Palestijnen, ontwikkelden Ben Yosef en Leitner – beiden Amerikaanse aanhangers van Kahane – zich tot advocaten van hun collega-extremisten. Na kort gevangen gezeten te hebben, gingen zij beiden werken aan de rechtenopleiding van Bar Ilan. Leitner begon samen met zijn vrouw Nitzana Darshan de uiterst lucratieve lawfare lobbyorganisatie Shurat HaDin, ofwel Israel Law Center (ILC). Amerikaanse bondgenoten van Yosef begonnen na diens afstuderen het Association Center for Civil Justice (ACCJ), een soortgelijke organisatie die miljoenen dollars had verdiend en jarenlang enorme bedragen doorsluisde naar Fuchs, Ben Yosef en andere aanhangers van Kahane.

In het eerste decennium van deze eeuw waren het ILC en het ACCJ de eersten die een nieuwe tactiek hanteerden: zij vorderden boetes van regeringen wier burgers betrokken waren bij gewapende aanvallen ‘tegen Israel’. Het ILC kreeg honderden miljoenen dollars van de regering van Noord-Korea en het ACCJ profiteerde van een uitbetaling van de regering van Libië van 1,8 miljard dollar. Terwijl deze organisaties geld van steunbetuigers van anti-Israelische terreur afhandig maakten, sluisden zij dit door naar voormalige Amerikaans-Israelische terroristen.

Het ACCJ is op dit moment verwikkeld in faillissementszaken in de Verenigde Staten, terwijl het ILC nog altijd valse juridische anti-Palestijnse campagnes voert. In Australië eiste het ILC dat de regering en een lokale liefdadigheidsorganisatie financiering van een Palestijnse organisatie staakten, op basis van de ongefundeerde bewering dat deze banden met terrorisme zou hebben. Tevens klaagde het een bestuurder van een universiteitsafdeling aan, omdat deze zou hebben geweigerd een kandidaat van een Israelische universiteit aan te bevelen. In de Verenigde Staten klaagde het ILC voor een bedrag van vijf miljoen dollar de voormalige president Jimmy Carter aan. Zijn boek, Palestine, Peace not Apartheid, zou feitelijk niet kloppen en daarmee het consumentenrecht schenden.

Hoewel het haar in geen van de gevallen lukte om de zaak te winnen, eist haar intimidatiecampagne nog altijd zijn tol bij de slachtoffers. Zij werden neergezet als vijanden van het Joodse volk. In sommige gevallen echter, is het het ILC gelukt haar doel te bereiken, ondanks dat de zaak bij de rechtbank was verloren. De aantijgingen van het ILC in 2011 dat schepen van hulporganisaties voor Gaza niet zeewaardig waren, zorgden ervoor dat tenminste één schip op het droge bleef. Vanwege dreigingen om de toeleveringsbedrijven van de schepen aan te klagen, voelden de verzekeringsmaatschappijen zich gedwongen om de dekking van de schepen in te trekken.

kahanisten infiltreren ondanks een verbod de Israelische politiek

Na de moord op de Israelische premier Rabin in 1995, werd diens Arbeidspartij-regering vervangen door een kabinet geleid door de seculiere, rechtse partij Likoed, met aan het roer Benjamin Netanyahoe. Onmiddellijk nam Netanyahoe ex-kahanisten Tzahi Hanegbi en Avigdor Liebermann in het nieuwe kabinet op. Maar het ging de kahanisten allemaal niet ver genoeg: zij wilden Likoed nog verder naar rechts sturen. De Jewish Leadership-factie binnen Likoed, die door Kahane-aanhanger Shmuel Sackett was opgericht, schoof kandidaat Moshe Feiglin naar voren als vicevoorzitter van de Knesset. Feiglin riep de regering op de burgerbevolking van Gaza ‘in tentenkampen te concentreren’, totdat zij kon worden verdreven.

Een kwart eeuw nadat het Jewish Leadership zich binnen Likoed is gaan manifesteren, lijkt de transformatie van Likoed van een seculier-nationalistische in een jahwistisch-messianistische partij compleet. Een eerder lidmaatschap van de kahanistische beweging is geen punt meer binnen Likoed. May Golan, die als activist binnen deze beweging in de Israelische politiek actief werd, belandde op de lijst van Likud en kwam voor de partij in de Knesset.

Ondertussen heeft Kach zich omgevormd tot Joodse Macht (Otzma Yehudit) om zo de Israelische wet te omzeilen. De partij wordt voortdurend het hof gemaakt door andere rechtse krachten. Netanyahoe’s hoofdonderhandelaar Natan Eshel bood de leider van Joodse Macht zelfs een miljoen dollar om met pensioen te gaan en het stemrecht van zijn factie aan Likoed over te dragen. De deal ging uiteindelijk niet door, maar een dergelijke ‘fusie’ zou passend geweest zijn, zeker wanneer wij kijken naar Eshels analyse van de achterban van Likoed: ‘Zij haten alles en wij zijn erin geslaagd deze haat aan te wakkeren. Haat is wat ons kamp verenigt.’

Het gat tussen het kahanistische kamp en Israels diepreligieuze en extreemrechtse partijen bleek makkelijker te dichten. De partij van het nationaal-religieuze kamp in Israel, het Joodse Huis (HaBajiet HaJehudi), was bereid op een gedeelde lijst met Joodse Macht mee te doen in de verkiezingen van 2019 en 2020 (de lijst bestond echter niet meer in de laatste verkiezingen).

De ultraorthodoxe partij Verenigd Torah-Jodendom (UTJ) deed er iets langer over om het kahanisme openlijk te omarmen. Zij zocht de sympathie van haar traditionele achterban en prees Joodse Macht en haar leider Itamar Ben Gvir. Vlak voor de jongste verkiezingen meldde de UTJ in een reclamefilmpje ‘schade aan Itamar is schade aan jou’ en ‘Itamar is de beste’.

Op lokaal niveau hebben kahanisten nog meer successen geboekt. Hun vertegenwoordigers in de gemeenteraad van Jeruzalem hebben sinds 2013 een zetel in de regerende coalitie. Aanhanger van Kahane en raadslid Aryeh King – nu onderburgemeester – spoorde met religieuze referenties een groep gelovige joden aan om Palestijnen te doden. Diezelfde avond bracht een dergelijke groep deze oproep in de praktijk en ontvoerde de Palestijnse tiener Mohammed Abu Khdeir en verbrandde hem levend.

De medekandidaat van King voor de Jeruzalemse gemeenteraad Yonatan Yosef, voegde de daad bij het woord. In 2000 werd hij gearresteerd in het religieuze seminarie van de kahanistische beweging in Jeruzalem, de Yeshiva van de Joodse Idee, waar hij toen woonde. Volgens de Israelische binnenlandse inlichtingendienst Shin Bet had hij daar ultraorthodoxe militairen ervan proberen te overtuigen om hem van wapens en munitie te voorzien, die voor terreuraanslagen tegen Palestijnen konden worden gebruikt.

Yosef kwam er gemakkelijk vanaf, dankzij de tussenkomst van Rehavam Ze’evi, die in 1988 na Kahanes vertrek uit de Knesset aldaar de belangrijkste voorstander werd van een etnische zuivering van Palestijnen uit het land. Als minister met een zetel in de Commissie Buitenlandse Zaken en Defensie had  hij – Ze’evi – Yosef in 2000 op de hoogte gebracht van een plan van Shin Bet om hem te arresteren. Het gaf Yosef voldoende tijd om de meeste wapens die hij had kunnen verzamelen te dumpen. Yosef is een telg uit Israels vooraanstaande dynastie van rabbijnen en de leiders van de Mizrahi ultraorthodoxe partij Shas. Hij is de kleinzoon van de voormalige opperrabbijn Ovadia Yosef en neef van de huidige opperrabbijn Yitzhak Yosef, die beiden hebben geoordeeld dat het onder het joodse recht niet-joden verboden is in Israel te leven, behalve als dienaren van joden.

Kahanes racistische doctrine in stand gehouden

De religieuze stroming die het nauwst gelieerd is aan de doctrine van Kahane, is de ultraorthodoxe Chabad-beweging – wellicht de grootste joodse religieuze sekte ter wereld. Chabad hielp Kahane financiële controles te omzeilen door geld uit de Verenigde Staten weg te sluizen.

Na Kahanes dood nam rabbijn Yitzhak Ginsburgh, afkomstig uit deze stroming en tevens een Amerikaanse immigrant in Israel, de rol van Kahane over als de meest openlijk racistische rabbijn van het land. In 2010 werkte Ginsburgh mee aan de publicatie van een invloedrijk en haatdragend pamflet geschreven door één van zijn discipelen met als titel ‘De Torah van de Koning’. Het pamflet keurde orgaanroof van niet-joden en kindermoord goed (wanneer een jood vermoedt dat het kind ooit een gevaar zal vormen). Doordat Ginsburgh Kahane regelmatig de hemel in prees – zoals herhaaldelijke beweringen dat ‘Kahane gelijk had’ – is er een derde generatie loyale kahanisten gecreëerd, onder wie de kleinzoon van Kahane en jonge joodse kolonistenleider Me’ir Ettinger.

Ginsburgh heeft zijn machtsbasis in de joodse nederzetting Yitzhar op de bezette Westelijke Jordaanoever, nabij de Palestijnse stad Nabloes. Hij heeft er een yeshiva opgericht van waaruit hij zijn studenten geregeld aanspoort tot racistisch geweld. Eén van de beruchtste geweldsincidenten gebeurde in 2015, toen handlangers van de jonge Ettinger het huis van de Palestijnse familie Dawabshe in het dorp Duma, eveneens op de Westelijke Jordaanoever, in brand staken. Terwijl de familie binnen levend werd verbrand, namen de daders de tijd de leus van Chabad op het huis van de familie te kalken.

Dertig jaar geleden peinsden Israelische rabbijnen er niet over om dit soort sentimenten uit te spreken of te publiceren, zelfs wanneer zij net als Kahane en Ginsburgh dachten. Onder Netanyahoe’s bewind worden dergelijke sentimenten echter financieel en politiek gesteund door instituties van de Israelische staat. In 2019 reikte de Israelische minister van Onderwijs de Torah Creativity Award uit aan Ginsburgh, tijdens een jaarlijks evenement dat door het ministerie wordt gesponsord.

Het is niet verwonderlijk dat Ginsburghs beleidsvoorstellen om Israels Hooggerechtshof uit te knijpen zodat het parlement zich niets hoeft aan te trekken van de rechten van niet-joden, eveneens met open armen zijn ontvangen door de regering van Netanyahoe. Dankzij deze steun zijn deze voorstellen bovenaan de politieke agenda komen te staan. Zodra de coronacrisis voorbij is, zal de regering Netanyahoe pogen een ‘uitzonderingsclausule’ aan de rechterlijke macht op te leggen. Op grond daarvan zal het parlement de uitspraak van een rechter [omtrent rechten van niet-joden] naast zich neer kunnen leggen.

Ondanks haar ‘successen’ in de afgelopen drie decennia, heeft de beweging van Kahane op twee gebieden gefaald: het aanstellen van een even charismatische opvolger als Kahane en de transformatie van de beweging in een massabeweging die in de Knesset kan concurreren met de grotere, seculiere rechtse partijen. Dat neemt niet weg dat Kahanes ideeën door een aantal extreemrechtse politici zijn overgenomen. De principes die Kahane verspreidde – de sociaaldemocratie is onwenselijk en niet-joden moeten worden verdreven, liefst uit zowel Israel als uit de rest van Palestina – zijn doorgedrongen tot  in de haarvaten van de Israelische maatschappij in bredere zin. In de decennia na Kahanes dood hebben diens aanhangers het land steeds verder naar rechts doen opschuiven, waarbij het einde is nog niet in zicht. In het Israel van 2021 is het omarmen van racistische haat jegens Palestijnen en andere niet-joden niet langer beschamend, maar eervol.

bron: Middle East Report (Washington), 2 februari 2021

David Sheen is een onderzoeksjournalist die de afgelopen tien jaar vanuit Israel en Palestina verslag heeft gedaan

vertaling: Erik Prins

Wilt u een abonnement op Soemoed nemen?