Kwestie Palestina

De ‘Kwestie Palestina’ verwijst naar de strijd van Palestijnen tegen het zionistische, koloniale project in Palestina, waarbij zionistisch-joodse kolonisten vanaf het eind van de 19e eeuw door middel van kolonisatie stelselmatig toewerken naar het omvormen van Palestina in een Joodse Staat. Deze omvorming betekent in de praktijk dat de autochtone Palestijnse bevolking wordt verdreven, gemarginaliseerd en dat haar samenleving wordt verwoest. Deze omvorming kent steeds weer nieuwe dimensies.

Het voorafgaande geeft aan dat de Kwestie Palestina niet dateert – zoals menigeen denkt – van 1967, het jaar waarin Israel de Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza bezette, en evenmin van 1948, met de stichting van de Staat Israel en de massale verdrijving van Palestijnen uit Palestina’48 (Israel).

In de Kwestie Palestina rust op Europa een zware verantwoordelijkheid voor het ontstaan en het voortduren ervan. Aanvankelijk gold die verantwoordelijkheid vooral Groot-Brittannië. Dan hebben wij het over de periode van de Eerste Wereldoorlog, toen de machtsverhoudingen in het oostelijke deel van de Arabische Wereld (al-Mashriq) waartoe ook Palestina behoort, grondig zijn gewijzigd.

Tot de Eerste Wereldoorlog maakte de Mashriq deel uit van het Turks-Osmaanse Rijk. In de loop van de 19e eeuw was dit multinationale imperium sterk in verval geraakt. Dat heeft de deur opengezet voor politieke, militaire en economische penetratie door Westerse imperialistische mogendheden. Zo kreeg Groot-Brittannië aan het eind van de 19e eeuw Egypte – en daarmee het strategisch belangrijke Suez Kanaal – in handen. Formeel bleef het gebied evenwel deel uitmaken van het Turks-Osmaanse Rijk. Aanvankelijk was Groot-Brittannië er namelijk niet op uit om dit rijk te ontmantelen, aangezien het fungeerde als een buffer tussen de groeiende Britse belangen in de regio enerzijds, en het in zuidelijke richting expanderende tsaristische Rusland anderzijds.

Behalve over Egypte en het Suez-Kanaal was controle over de aangrenzende Mashriq voor Groot-Brittannië eveneens van groot strategisch belang. Dit bood immers een verbinding over land – tussen de Middellandse Zee en de Perzische Golf – met zijn belangrijkste kolonie, Brits-Indië.

Deze politiek om het Turks-Osmaanse Rijk – zij het verzwakt – in stand te houden, is losgelaten nadat de Turks-Osmaanse sultan zich in de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van Duitsland/Oostenrijk-Hongarije schaarde tegenover Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland (in een later stadium gevolgd door de Verenigde Staten). Daarop veroverden Britse en Franse troepen de Mashriq op de Turken. Dat deden zij met steun van Arabische opstandelingen onder leiding van prins Feisal, de zoon van de Sharif van Mekka (Bewaker van de voor moslims Heilige Plaatsen Mekka en Medina), in ruil waarvoor de opstandelingen onafhankelijkheid toegezegd kregen. Maar nog vóór het einde van de Eerste Wereldoorlog, bleken Londen en Parijs op basis van een geheim akkoord het veroverde gebied onder elkaar verdeeld te hebben en werd de toezegging aan de Arabieren over onafhankelijkheid niet nagekomen.

Zo kwamen in 1920 op de restanten van het Arabische deel van het Turks-Osmaanse Rijk een serie nieuwe staatkundige entiteiten – mandaatgebieden ofwel koloniën – tot stand die onder Brits gezag (Irak, Trans-Jordanië en Palestina) en Frans gezag (Syrië en Libanon) vielen.

Tot ontsteltenis van de Arabieren bleken de Britten tevens ingegaan te zijn op de avances van de Zionistische Beweging – die vóór de Eerste Wereldoorlog van de Turks-Osmaanse Sultan en de Duitse Keizer nul op rekest had gekregen – en in te stemmen met ‘de stichting in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk’ (tekst Balfour Declaration van 1917, vernoemd naar de toenmalige Britse minister van Buitenlandse Zaken, Lord Arthur James Balfour). Dat ‘tehuis’ zou volgens de leiders van de Zionistische Beweging als een voorpost van het Westen in de regio en als een waakhond voor Britse belangen in de regio gaan fungeren. Aangezien de Zionistische Beweging in die jaren een aangelegenheid van Oost- en West-Europese joden was, moet dit argument geloofwaardig zijn geweest.

Wat de zionistische leiders echter verzwegen, was dat zij niet zozeer uit waren op ‘de stichting in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk’, maar op het omvormen van Palestina in een Joodse Staat.

<strong>zionisme</strong>
Het politieke zionisme – te onderscheiden van het religieuze zionisme – kwam aan het eind van de 19e eeuw op als een reactie en antwoord op opgelaaid antisemitisme in Oost- en West-Europa. Theodor Herzl (1860-1904) wordt beschouwd als de grondlegger van het politieke zionisme (hierna zionisme).

Door politieke zionisten (hierna zionisten) wordt antisemitisme gezien als een wezenskenmerk van niet-joodse samenlevingen. Joden konden van antisemitisme gevrijwaard blijven door uit die samenlevingen weg te trekken en elders in de wereld een staat voor joden te vestigen. Daarin verschilden zij hartgrondig van mening met joden die actief waren binnen liberale en socialistische/communistische emancipatiebewegingen, die antisemitisme als een facet van een breder fenomeen zagen – namelijk van discriminatie van, en racisme jegens etnische of religieuze minderheden – dat in de samenlevingen zelf bestreden moest worden. Religieuze joden wezen de vorming van een staat voor joden door mensenhand af, aangezien het hier wachten is op de komst van de Messias.

Het idee om elders in de wereld een gebied te koloniseren om daar een staat te vestigen, paste geheel in de geest van de tijd. Het waren immers de hoogtijdagen van het Europese imperialisme. Daarbij richtten de plannen van de zionisten zich op Palestina dat ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ zou zijn. Maar Palestina was niet leeg en werd sinds mensenheugenis bewoond (de Romeinen duidden het gebied aan met Palestina; veel later zijn de bewoners Palestijnen genoemd). In hun plannen was er in Palestina voor de Palestijnen echter geen plaats meer (een lange reeks uitspraken van historische leiders van de Zionistische Beweging bevestigt dit). Om de vestiging in Palestina van een staat voor joden door te drukken, hadden de zionisten de steun van de imperialistische grootmachten van de dag nodig: Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk. Uiteindelijk bleek Groot-Brittannië dat het gebied gedurende de Eerste Wereldoorlog in handen had gekregen, bereid die steun te verlenen.

In joodse kring vond het zionisme aanvankelijk weinig weerklank. Door zowel religieuze als liberale en socialistische/communistische joden werd het als een seculiere, respectievelijk politieke dwaling afgewezen. De vervolging van joden in het nazi-Rijk, uitmondend in de Holocaust, en de ontreddering van vele joodse overlevenden na de nederlaag van nazi-Duitsland, hebben de zionisten, die inmiddels een stevige basis in het Britse Mandaatgebied Palestina hadden weten te verwerven, politiek de wind in de zeilen gegeven. De opdeling door de VN in 1948 van Palestina in een Joodse en een ‘Arabische’ Staat is daarvan een direct uitvloeisel geweest.

Voor de Palestijnen betekende de Britse instemming met de plannen van de Zionistische Beweging ten aanzien van Palestina een zware slag. Door in de preambule en in Artikel 2 van het Mandaatprotocol te stellen dat de Britse Mandataris verantwoordelijk zou zijn voor het implementeren van wat eerder in de Balfour Declaration aan de Zionistische Beweging was toegezegd, gaf ook de door Westerse staten (waaronder – op het verslagen Duitsland na – alle West-Europese staten) gedomineerde Volkerenbond zijn zegen aan het zionistische project in Palestina.

In de praktijk betekende de alliantie tussen Londen en de Zionistische Beweging, dat Groot-Brittannië de instroom van zionistische joden uit Oost- en West-Europa in het Mandaatgebied Palestina toestond. Met de financiële middelen van zowel het internationaal opererende Joods Nationaal Fonds als van vermogende zionistische joden in Europa en de Verenigde Staten kon in Palestina van grootgrondbezitters grond aangekocht worden, die vervolgens door joodse kolonisten werd bewerkt. Palestijnse pachters moesten daarbij het veld ruimen.

Maakten joodse kolonisten in 1919 met 66.000 personen al zo’n 10 procent van de bevolking uit – vestiging in Palestina was vanaf eind 19e eeuw in gang gezet – in 1929 was hun aantal ruim verdubbeld tot 156.000 (16 procent). Zeven jaar later was er opnieuw sprake van ruim een verdubbeling tot 370.000 (27 procent). De aankoop van grond hield met deze spectaculaire groei evenwel geen gelijke tred. Al met al zijn in deze periode de fundamenten gelegd voor een parallelle (naast de Palestijnse), exclusief joodse maatschappij, gebaseerd op segregatie.

verzet
Palestijnse leiders, hoofdzakelijk voortgekomen uit de stedelijke elite, die zich van meet af aan ten volle van de ernst van de zaak bewust waren, meenden lang dat zij langs de weg van overreding, in combinatie met druk in de vorm van non-coöperatie in het bestuur, de Britten ertoe konden bewegen hun opstelling ten aanzien van de activiteiten van de zionistische joden te wijzigen. Dat bleek een foute inschatting te zijn. Ook na de eerste bloedige confrontaties in de loop van de jaren twintig tussen zionistische joden en Palestijnen bleef het Britse beleid op hoofdpunten ongewijzigd. Geleidelijk aan groeide onder gewone Palestijnen dan ook het besef dat de Britten een even groot obstakel voor het verwezenlijken van de Arabische/Palestijnse aspiraties vormden als de zionistische joden. Beiden dienden bijgevolg bestreden te worden – en wel gewapenderhand. Op het platteland en in de sloppenwijken van de steden vormden zich guerrillagroepen van voornamelijk landloze boeren.

In een poging de zaak politiek te forceren is op 20 april 1936 door het Palestijnse leiderschap een algemene staking voor onbeperkte duur afgekondigd. Daaraan is breed gehoor gegeven. Uiteindelijk duurde de staking 176 dagen. Ook het gewapend verzet, dat zich inmiddels zowel tegen de joodse kolonisten als tegen de Britten richtte, nam die jaren in omvang toe.

De Britten hebben alles uit de kast gehaald om de opstand te breken: arrestatie, verbanning, executie en collectieve strafmaatregelen (waaronder het opblazen van woonhuizen). Ook werden doodseskaders ingezet – de zogeheten Special Night Squads – die leidinggevende Palestijnse nationalisten liquideerden. Zionistisch-joodse strijders vochten aan de zijde van de Britten mee.

In de loop van de opstand die tot 1939 zou duren – balans rond 5000 Palestijnse doden (van wie 108 geëxecuteerd), 262 Britten en 300 joodse kolonisten – zag Londen zich genoodzaakt extra troepen naar Palestina te sturen. Dat kwam slecht uit want de dreiging van een oorlog met nazi-Duitsland hing toen al in de lucht. In een poging het Palestijnse front enigszins te kalmeren, kondigden de Britten in 1939 aan de immigratie van joden drastisch aan banden te leggen en binnen tien jaar de vorming van de staat Palestina te realiseren. Daarin zou de macht tussen de Palestijnen en de zionistische joden verdeeld worden, overeenkomstig hun aandeel in de bevolking.

Dat leverde de Britten de woede en de vijandschap van zionistische joden op. Nadat de dreiging van nazi-Duitsland in het Midden-Oosten was afgewend, vielen joodse strijdgroepen ook Britse doelen aan. Zo kwamen de Britten tussen twee vuren te zitten. Twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog wierp Londen de handdoek in de ring en droeg Palestina over aan de nog maar pas gevormde Verenigde Naties.

VN-Verdelingsplan
De Verenigde Naties – waarbinnen Europese grootmachten als permanente leden van de Veiligheidsraad van meet af aan een centrale rol speelden – presenteerden in november 1947 een verdelingsplan, op basis waarvan het mandaatgebied Palestina zou worden opgedeeld in een te vormen Joodse en een ‘Arabische’ Staat. Hoewel de joodse kolonisten intussen in aantal sterk waren toegenomen (tot 650.000 personen) – versterkt met ontheemde overlevenden van de Holocaust die, mede omdat westerse staten hun grenzen voor hen gesloten hielden, in de richting van Palestina werden gedirigeerd – maakten zij in die dagen niet meer dan een derde van de totale bevolking uit. Toch kregen zij in het kader van het verdelingsplan 54 procent van het grondgebied van Palestina toegewezen (waarvan zij in de achterliggende zeventig jaar slechts 7 procent door aankoop in handen hadden weten te krijgen).

De Palestijnen weigerden van meet af aan met een verdeling van hun land in te stemmen. De meerderheid van de zionistische joden ging echter wel akkoord, omdat zij daarin een verwezenlijking van op zijn minst een deel van hun agenda zagen. Dat leverde een bitter geschil op tussen voor- en  tegenstanders. Laatstgenoemden worden aangeduid met revisionistische zionisten (of kortweg revisionisten). Zij maakten niet alleen aanspraak op het gehele grondgebied van Palestina, maar ook op dat van (Trans-) Jordanië, dat in de Brits/Franse plannen aanvankelijk eveneens deel uitmaakte van het te vormen Mandaatgebied Palestina.

Op 29 november 1947 is door de Algemene Vergadering van de VN bij meerderheid het zogeheten Verdelingsplan (Resolutie 181) aangenomen met 33 stemmen vóór, 13 tegen en 10 onthoudingen (1 lidstaat was bij de stemming afwezig). Van de Europese lidstaten stemden België, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Polen en Zweden vóór; Griekenland stemde tegen; Groot-Brittannië onthield zich van stemming uit vrees voor problemen met moslim-onderdanen in Brits-Indië en elders. Het verslagen Duitsland en Italië waren nog niet in de VN opgenomen. Ook de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie hadden vóór het Verdelingsplan gestemd.