Al-Nakba (1948)

De eenzijdige proclamatie van de Staat Israel op 15 mei 1948 had voor de Palestijnen dramatische gevolgen. Want de oorlogshandelingen die onmiddellijk daarop uitbraken, zijn door Israel aangegrepen om een tot in details voorbereide campagne van etnische zuivering in gang te zetten (het zogeheten Plan Dalet), bedoeld om de demografische verhoudingen in de te vormen Joodse Staat meteen ingrijpend te wijzigen. Gebeurde dat niet, dan zou net iets meer dan de helft van de inwoners van die Joodse Staat ‘niet-joods’ zijn.

Om de vluchtelingenstroom op gang te brengen, zijn bloedbaden aangericht. Daarvan was al vóór 15 mei 1948 – ruim een maand vóór het eind van het Britse mandaat over Palestina – sprake, waaronder in het Palestijnse dorp Deir Yassin op 9 april 1948. Al met al waren vóór de proclamatie van de Staat Israel waren al rond 300.000 Palestijnen voor het geweld op de vlucht geslagen.

Uiteindelijk kwamen zo’n 750.000 Palestijnen (83 procent van het Palestijnse bevolkingsdeel) als vluchteling elders in Palestina of in de Arabische buurlanden terecht. Degenen die niet waren gevlucht, bleven als minderheid achter in een staat die bedoeld was voor joden. Om de terugkeer van de vluchtelingen te bemoeilijken, zo niet onmogelijk te maken, werden ruim vijfhonderd ontvolkte dorpen met de grond gelijkgemaakt.

Al in december 1948 legde de Algemene Vergadering van de VN, overeenkomstig haar Handvest, in Resolutie 194 het recht op terugkeer en compensatie van Palestijnse vluchtelingen vast. Op voorwaarde deze resolutie te implementeren, is Israel in 1949 toegelaten tot de VN. Implementatie van Resolutie 194 is evenwel achterwege gebleven. Onder meer Europese lidstaten – waarvan er twee behoren tot de permanente leden van de Veiligheidsraad – hebben daaraan voor Israel geen consequenties willen verbinden, zoals het doorvoeren van dwangmaatregelen. Daarmee hebben zij implementatie van de rechten van de Palestijnen verhinderd. Aan Palestijnse vluchtelingen is (en wordt) via de speciaal daarvoor in het leven geroepen (december 1949) United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) humanitaire hulp verleend. De UNRWA is blijven bestaan naast het  korte tijd later opgerichte Office of the United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR).

Voordat Groot-Brittannië in de Kwestie Palestina naar de achtergrond verdween, schaarde Londen zich achter het streven van koning Abdullah van (toen nog) Trans-Jordanië om meer Arabisch grondgebied onder controle te krijgen, door deze toe te staan – de Jordaanse strijdkrachten stonden destijds nog onder bevel van Britse officieren – zich in de oorlog van 1948-1949 meester te maken van de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, waar zich heiligdommen van joden, christenen en moslims bevinden. Vooraf waren daarover geheime afspraken gemaakt met het joods-zionistische leiderschap in Palestina. Wat Groot-Brittannië betreft werd de steun voor deze stap vooral ingegeven om te voorkomen dat het machtsvacuüm dat met het vertrek van de Britten in Palestina ontstond, door Palestijns-nationalistische krachten zou worden opgevuld. In 1950 werd de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, door Trans-Jordanië geannexeerd, waarna het land zijn naam veranderde in Jordanië, aangezien beide oevers van de rivier de Jordaan nu binnen het grondgebied van de staat vielen. De Strook van Gaza kwam onder militair bestuur van Egypte te staan.

Zo is het voormalige mandaatgebied Palestina kort na de Tweede Wereldoorlog opgedeeld in de Staat Israel (dat door veroveringen uiteindelijk niet 54 maar 78 procent van het grondgebied besloeg) en daarnaast de Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza (samen de resterende 22 procent). De grenzen tussen de verschillende delen waren willekeurig, aangezien zij niet anders waren dan wapenstilstandlinies tussen de diverse legermachten.

Palestijnse vluchtelingen

In juni 1950 telde de VN in totaal 960.021 Palestijnse vluchtelingen, van wie 506.200 (53 procent) in Jordanië (inclusief de Westelijke Jordaanoever), 198.227 (21 procent) in de Strook van Gaza (onder Egyptisch militair bestuur), 127.600 (13 procent) in Libanon, 82.194 (8 procent) in Syrië, terwijl in Israel 45.800 Palestijnen (5 procent) zogeheten Internally Displaced Persons (IDP’s) waren geworden. Daar moeten dan nog de 4000 Palestijnse vluchtelingen in Irak bij opgeteld worden, evenals enkele duizenden Palestijnen elders.

Ruim de helft van de Palestijnse vluchtelingen kwam in vluchtelingenkampen terecht: een 30-tal in Palestina (Westelijke Jordaanoever, Strook van Gaza), 10 in Jordanië en 12 in zowel Libanon als Syrië. In de loop der jaren zijn deze van tentenkampen uitgegroeid tot woonwijken, die veelal vergroeid zijn geraakt met de nabij gelegen stad.

Slechts dankzij de hulp van de UNRWA in de vorm van onderdak, voedsel en medicijnen (later ook onderwijs) hebben vele bewoners kunnen overleven. De UNRWA-werkzaamheden zijn vooral gefinancierd door de Verenigde Staten, Canada, Groot-Brittannië, Frankrijk en een reeks andere Europese landen, plus Saoedi-Arabië.

In het internationaal recht is vastgelegd dat personen die zich door toedoen van gevechtshandelingen gedwongen zagen naar elders uit te wijken, na afloop van de strijd het recht hebben om naar hun oorspronkelijke woonoorden terug te keren. Dat geldt uiteraard ook voor personen die met gericht geweld verdreven zijn. In 2010 – ruim 60 jaar later – was het aantal Palestijnse vluchtelingen door natuurlijke aanwas toegenomen tot 4,7 miljoen (UNRWA-geregistreerd), in werkelijkheid tot 6,4 miljoen personen.

Israel doet al enkele jaren verwoede pogingen om de UNRWA ontbonden te krijgen, waarna de Palestijnse vluchtelingen ondergebracht kunnen worden in het in 1950 opgerichte Office of the United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), ook wel aangeduid als de UN Refugee Agency. Zo hoopt Tel Aviv de aparte positie van de Palestijnse vluchtelingen te ondergraven en hen verder te marginaliseren. Over ontbinding van een VN-instelling beslist echter de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Daarin is het Zuiden ruim vertegenwoordigd. Het is daarom niet waarschijnlijk dat deze daarmee zal instemmen.

consolidatie
In de jaren vijftig en zestig is de politiek van Europese staten gekenmerkt door het uitbouwen van de betrekkingen met Israel – in het geval van de Bondsrepubliek Duitsland vooral ook economische steun in het kader van de zogeheten Wiedergutmachung – en steun aan diplomatiek overleg tussen Israel en een aantal Arabische staten. In het laatste geval gebeurde dat in het kader van de VN (staakt-het-vuren overeenkomsten,  de kwestie van de Palestijnse vluchtelingen, enzovoort). Dit diplomatiek overleg heeft nauwelijks iets opgeleverd omdat Israel niet bereid was om de Palestijnse vluchtelingen te laten terugkeren – die men eerder uit demografische overwegingen door een campagne van etnische zuivering grotendeels eruit had gewerkt. Voorts was Israel gefocust op de consolidatie en incorporatie van het door de VN toegewezen, dan wel het in de oorlog van 1948-1949 veroverde gebied en op de absorptie van ingestroomde Holocaust-overlevenden, joodse vluchtelingen uit Arabische landen en andere joodse immigranten – die allen tezamen voor de Staat Israel een demografisch gewicht in de schaal legden.

positie Palestijnen in Israel
De rond 150.000 Palestijnen die in 1948 niet gevlucht of verdreven waren,  kwamen als ‘niet-joden’ te wonen in een staat die zich in zijn Onafhankelijkheidsverklaring definieerde als een ‘Joodse en democratische staat’. In de praktijk betekende dit, dat de Palestijnen werden gedegradeerd tot derderangs (staats)burgers in hun eigen land (na de ashkenazim en de sefardim/mizrahim). Tussen 1948 en 1966 hebben zij – anders dan de joodse Israeli’s – bovendien onder militair bestuur moeten leven onder veel beperkingen, vooral in hun bewegingsvrijheid.

Er is een reeks voorbeelden te geven dat er na 1948 in Israel sprake was van institutionele discriminatie jegens het Palestijnse bevolkingsdeel. Zo is kort na de Nakba via wetgeving 93 procent van de grond – veelal eigendom van gevluchte of ontheemde Palestijnen – in handen gekomen van een semi-overheidsinstelling, het Joods Nationaal Fonds. Aan Palestijnen werd het gebruik van deze grond voor agrarische, huisvestings- of commerciële doeleinden ontzegd; rond 70 ‘niet-erkende dorpen’ – dorpen die na 1948 door Palestijnen zijn gesticht nabij de woonoorden waaruit zij eerder gevlucht of verdreven waren – blijven tot de dag van vandaag verstoken van water en elektriciteit, van wegen en van andere infrastructurele voorzieningen. Sinds 1948 zijn er voor joodse Israeli’s ruim 600 nieuwe gemeenten gesticht, voor Palestijnen niet één. Overheidsgelden worden disproportioneel ten behoeve van joodse Israeli’s aangewend; de overheidsfinanciering van Palestijnse scholen ligt op een aanzienlijk lager niveau dan van scholen voor joodse Israeli’s. Palestijnen zijn zwaar ondervertegenwoordigd in overheidsfuncties. Enzovoort.

Linkse regeringen hebben op dit punt nooit ondergedaan voor regeringen van rechtse signatuur, aangezien beide het zionistische uitgangspunt onderschrijven dat Israel eerst en vooral een staat voor joden is. Palestijnen worden overwegend als een veiligheidsrisico gezien.

Palestijnen vormden in 2017 met 1,7 miljoen personen rond 14 procent van de bevolking van Israel.

Gedurende de Suez-Oorlog van 1956 trokken Groot-Brittannië, Frankrijk en Israel samen op in een aanvalsoorlog tegen Egypte. Doel was het Arabisch-nationalistische regime van Gamal Abdul Nasser ten val te brengen, hetgeen mislukte. Minder bekend is dat Israel tijdens geheim overleg, voorafgaande aan de militaire operatie, kenbaar had gemaakt, veroverd Egyptisch grondgebied, dan wel gebied dat onder controle van Egypte stond zoals de Strook van Gaza, te zullen annexeren. Onder druk van met name de Verenigde Staten moest Israel daarvan uiteindelijk afzien.