Palestina

Palestina – het gebied dat zich uitstrekt tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan – is door de inspanningen van joodse kolonisten/de Staat Israel opgedeeld in drie delen: Palestina’48 (Israel), de Westelijke Jordaanoever (inclusief Oost-Jeruzalem) en de Strook van Gaza.

De totale oppervlakte van Palestina bedraagt 26.990 km2 (twee derde van de oppervlakte van Nederland): daarvan beslaat Palestina’48 20.770 km2 (78 procent), de Westelijke Jordaanoever 5860 km2 (20,5 procent; ruim de oppervlakte van de provincie Noord-Brabant) en de Strook van Gaza 360 km2 (1,5 procent; 1,5 keer de oppervlakte van het Waddeneiland Texel).

Palestina grenst aan Libanon (81 km), Syrië (83 km), Jordanië (307 km) en Egypte (208 km). De totale kustlijn is 313 km lang.

Palestina kent een grote diversiteit aan landschappen: een lange kustlijn aan de Middellandse Zee, het Meer van Tiberias met een oppervlakte van 166 km2, de 251 km lange rivier de Jordaan, die uitmondt in de Dode Zee, bergen in het noorden en het noordwesten, een middelhoge bergketen in het midden en een 13.000 km2 grote woestijn in het zuiden.

Eind 2016 woonden er in Palestina in totaal rond 13 miljoen mensen, van wie ongeveer evenveel Palestijnen en joodse Israeli’s.

het landschap
Palestina’48 bestaat voor een groot deel uit een kustvlakte met in het noorden gebergten – waaronder het 500 meter hoge Karmel-gebergte – en in het zuiden een uitgestrekte woestijn – de Naqab (Negev), die 60 procent van het grondgebied van Palestina’48 vormt.

De geografische verschillen zijn groot – en dienovereenkomstig de klimatologische omstandigheden en de flora en fauna. De kustvlakte die in het zuiden breder is dan in het noorden, evenals de aangrenzende gebieden zijn geschikt voor landbouw, mede door irrigatie met water dat van het Meer van Tiberias wordt afgetapt via de zogeheten National Water Carrier – een netwerk van pijpleidingen dat water tot diep in het zuiden van Israel voert. Enkele rivieren doorkruisen het land van Oost naar West, om uiteindelijk in de Middellandse Zee uit te monden.

Ook tussen de Strook van Gaza en de Westelijke Jordaanoever zijn de geografische verschillen groot. De Strook van Gaza is een kustgebied met stranden en duinen (tot rond 40 meter hoog), met landinwaarts parallel daaraan een strook vruchtbare grond, uitlopend in zandsteengebergte. Ongeveer halverwege wordt de Strook van Gaza dwars doorsneden door de Gaza Rivier (Wadi Ghazza), waarin overigens alleen in de regentijd (de winter) water staat.

De Westelijke Jordaanoever maakt deel uit van een geologische formatie, die zich van Oost-Afrika via de Rode Zee, de Golf van Aqaba en de Araba-vallei (Wadi Araba; Jordanië) tot aan Libanon en Syrië uitstrekt. Daarbij gaat het om een diepe breuklijn in de aardkorst. Ter hoogte van de Westelijke Jordaanoever lopen parallel aan deze breuklijn twee bergketens met daar tussenin de Jordaanvallei die ruim 20 km breed is (in Libanon ligt tussen het Libanon- en het Anti-Libanongebergte de Beqaa-vallei). De Jordaanvallei beslaat ongeveer een derde van de oppervlakte van de Westelijke Jordaanoever.

De middelhoge bergketen op de Westelijke Jordaanoever is onder te verdelen in drie segmenten: de Nabloes Berg (Jabal Nabloes), Jeruzalem Berg (Jabal al-Quds) en de Al-Khalil (Hebron) Berg (Jabal al-Khalil). Er zijn meerdere middelhoge bergtoppen, waarvan de Jabal Asur (in de Jabal al-Quds) met 1022 m de hoogste is. De bergketen wordt aan de oostzijde geflankeerd door de Jordaanvallei. Ten westen ervan strekt zich een geleidelijk aflopend, glooiend heuvellandschap uit, met op veel plaatsen terrasbouw.

aardbevingen
De genoemde breuklijn in de aardkorst is de lijn waar de Afrikaanse en de Arabische aardschol op elkaar stuiten. Dit veroorzaakt aardbevingen. Met enige regelmaat worden er dan ook lichte aardschokken waargenomen. In oude kronieken wordt van zware aardbevingen melding gemaakt, zoals die in 746, 1016 en 1034 (christelijke jaartelling). Daarbij is vaak grote schade aan de Aqsa Moskee in Jeruzalem – een van de belangrijkste islamitische heiligdommen – aangericht (hetgeen ook verklaart waarom de gebeurtenis is opgetekend). Op 1 januari 1837 was het goed raak. Het episch centrum van deze aardbeving lag bij bij Safad, ten noorden van de Westelijke Jordaanoever. Wetenschappers hebben berekend, dat het ging om een aardbeving met een kracht van 6,5 op de Schaal van Richter – waarmee deze behoort tot de categorie zware aardbevingen.

Hoogbejaarde Palestijnen weten zich voorts de aardbeving van 11 juli 1927 te herinneren. Het episch centrum lag ditmaal ten zuiden van Jericho, op de Westelijke Jordaanoever, en had ongeveer dezelfde kracht als die in 1837. In de wijde omtrek vielen tussen de 250 en 500 doden, raakten 400 tot 700 mensen gewond en was er omvangrijke materiële schade. Vooral in de stad Nabloes. Maar ook de koepels van de Aqsa Moskee en de Heilige Grafkerk, eveneens in Jeruzalem, raakten beschadigd. Het was de zwaarste aardbeving in Palestina in de 20e eeuw.

Inmiddels is Palestina veel dichter bevolkt geraakt. In de Palestijnse Gebieden wordt er niet aardschok-bestendig gebouwd (en ook in het welvarende Israel is daarvan nog nauwelijks sprake). Deskundigen vrezen daarom dat bij een volgende zware aardbeving het aantal doden en gewonden een veelvoud zal bedragen van dat in 1927.

het klimaat
Palestina ligt in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, hetgeen de klimatologische omstandigheden daar in belangrijke mate bepaalt. Het mediterrane klimaat wordt gekenmerkt door droge, hete zomers en natte, milde winters. De gemiddelde temperatuur bedraagt 19°C met uitschieters naar boven (rond 40°C in juni) en naar beneden (net boven het vriespunt in januari). In het najaar en in de winter is er neerslag in de vorm van regen, ongeveer 400 mm per jaar (Nederland 750 mm).

De Westelijke Jordaanoever ligt meer landinwaarts en kent bovendien regionale verschillen. Hoewel de gemiddelde temperatuur ook daar 19°C bedraagt, is het zuidelijk deel in de winter kouder (4°C vorst) dan het noordelijk deel, waar het zelden vriest. In de zomer kan de temperatuur in beide delen oplopen tot 40°C, in de Jordaanvallei zelfs nog een aantal graden hoger. Steeds wanneer men vanuit het westen de Jordaanvallei binnengaat, is een verschil in temperatuur – naar boven of naar beneden – merkbaar. Neerslag valt er in het najaar en in de winter in de vorm van regen en soms (natte) sneeuw. Ook hier gaat het gemiddeld om ongeveer 400 mm per jaar.

In het voorjaar waait er bij tijd en wijle een droge, warme oostenwind, afkomstig uit de uitgestrekte woestijnen van Jordanië, Syrië en Saoedi-Arabië – de Khamsini. Dit gebeurt globaal gesproken in een periode van 50 dagen – khamsin is het Arabische woord voor vijftig – vanaf het begin van de lente op 21 maart. De Khamsini voert fijn woestijnzand mee, dat de lucht overdag een onheilspellende gele kleur geeft. Het is dan benauwd. Een korte regenbui doet vervolgens het woestijnzand op de grond belanden. Voor mensen met aandoeningen aan de luchtwegen, voor de vegetatie en voor motoren en machines levert het fijne zand van de Khamsini zo de nodige problemen op.

rivier de Jordaan
De belangrijkste rivier in het gebied is de rivier de Jordaan (Nahr al-Urdun). Deze wordt gevormd in het uiterste noorden van Palestina’48 door het samenvloeien van het water van drie rivieren: de Hasbani die vanuit Zuid-Libanon binnenstroomt en voorts de Banias en de Leddan (Dan rivier) die beide ontspringen aan de voet van de Berg Hermon (die de Arabieren Jabal al-Shaikh, Berg van de Sheikh noemen) op de Hoogvlakte van Golan. Rond 250 km zuidelijk daarvan stroomt de Jordaan uit in de Dode Zee (Baḥr al-Mayyit). Het verval tussen begin- en eindpunt is groot: van rond 1500 m boven de zeespiegel op de Hoogvlakte van Golan, tot 422 m beneden de zeespiegel in de Dode Zee – dat wil zeggen, een hoogteverschil van bijna 2000 m.

Aanvankelijk stroomde het water van de Jordaan in het noorden door het uitgestrekte Hula-moerasgebied (oppervlakte 177 km2; 25 m boven de zeespiegel), waar een aanzienlijk deel van het water vervolgens verdampte. Om die reden is het moeras in de jaren vijftig van de vorige eeuw door Israel drooggelegd.

Enkele tientallen kilometers ten zuiden van het Hula Meer stroomt de Jordaan uit in het Meer van Tiberias (Buhayra Tabariya), ook bekend onder de Bijbelse naam Meer van Galilea. Dit enorme waterbassin is ontstaan door een afzetting van gestolde lava in het stroomgebied van de rivier. Het meer heeft een oppervlakte van 166 km2, is rond 43 m diep en ligt – heel opmerkelijk – 209 m beneden de zeespiegel.

Vanaf het punt dat de Banias en de Leddan de Hasbani instromen tot aan het Meer van Tiberias spreekt men over ‘de Boven-Jordaan’, vanaf het Meer van Tiberias tot aan de Dode Zee over ‘de Beneden-Jordaan’.

Rond 10 km ten zuiden van het meer voegt vanuit Syrië/Jordanië de Yarmuk rivier (Nahr al-Yarmuk) zich bij de Jordaan en nog verder naar het zuiden, eveneens vanuit Jordanië, de Zarqa rivier (Nahr al-Zarqa).

Uiteindelijk stroomt de Jordaan uit in de Dode Zee – een binnenzee met een oppervlakte van bijna  810 km2 (ofwel vijf maal zo groot als het Meer van Tiberias).

Doordat Israel grote hoeveelheden water aftapt uit het Meer van Tiberias én doordat ook Jordanië water aan de Jordaan onttrekt, is de ‘rivier’ inmiddels verworden tot een smalle stroom, behoorlijk vervuild water, wanneer deze de Dode Zee bereikt.

Onder invloed van intensieve zonneschijn verdampt het water daar vervolgens grotendeels. In de loop der tijden heeft het water van de Dode Zee daardoor een zeer hoog zoutgehalte gekregen – ruim acht maal hoger dan dat van de grote oceanen. Flora en fauna zijn er afwezig (vandaar ook Dode Zee). Als gevolg van een verminderde wateraanvoer door gebruik aan de bovenloop van de rivier neemt het volume van het waterbassin geleidelijk aan af – en dienovereenkomstig het oppervlak, vooral van het zuidelijke gedeelte.

De oevers van de Dode Zee liggen, zoals gezegd, 422 m beneden de zeespiegel – en zijn daarmee de laagst gelegen plek op aarde. Daar komt dan nog een gemiddelde waterdiepte van 118 m bij (het diepste punt ligt zelfs op -378 m).

Tussen de bergen en heuvels lopen talrijke wadi’s (letterlijk valleien, hier rivierbeddingen), die het grootste deel van het jaar droog staan, maar waarin in het regenseizoen water staat. Na hevige regenbuien kunnen de wadi’s in zeer korte tijd in woeste stromen veranderen.

biodiversiteit
Samenhangend met het wisselende landschap (kust, bergen, heuvels dalen, rivieren), is de biodiversiteit in Palestina groot. Door de combinatie van vruchtbare grond, water en een mild klimaat, is er een rijk gevarieerde flora. Er worden zo’n 2700 soorten planten geteld. In de lente bloeien in de vrije natuur de brem en het zonneroosje, in het najaar wilde narcissen, krokussen en hyacinten. Veel voorkomende boomsoorten zijn de olijfboom – de moeder aller bomen -, amandelboom, pijnboom, palmboom, granaatappelboom en de cipres, evenals diverse soorten citrus- en naaldbomen. In de vrije natuur en in menige tuin zijn bougainvilles, jasmijnstruiken en druivenplanten aan te treffen. Ook de fauna is rijk gevarieerd. Berekend is dat er zo’n 500 vogelsoorten zijn. Een kwart daarvan zijn trekvogels, die onderweg zijn van Europa naar Afrika bezuiden de Sahara en vice versa. Opvallend onder hen zijn pelikanen die de Gaza-kust aandoen. Er zijn voorts 115 soorten zoogdieren en 90 soorten reptielen geteld. In de Middellandse Zee en in de diverse rivieren komen 285 vissoorten voor.

olijfboom

Sinds mensenheugenis is het landschap van Palestina bepaald geweest door olijfbomen. Ook nu nog is de helft van het landbouwareaal van de Westelijke Jordaanoever met olijfbomen begroeid (in de Strook van Gaza domineren fruitbomen). Er zijn twee soorten olijfbomen: de inheemse Nabali en de Rumi (Arabisch voor ‘Romeinse’), die ooit door Romeinse veroveraars is geïntroduceerd. Na 40 jaar zijn de bomen 7 tot 12 meter hoog. Doorgaans leven zij zo’n 400 jaar, maar er zijn gevallen bekend van bomen die 700 tot 1000 jaar oud zijn geworden.

Pas enkele jaren nadat de olijfboom is aangeplant, draagt deze vruchten – olijven. Volgens een ijzeren wetmatigheid volgt op een goede oogst in het ene jaar, een magere oogst in het jaar daarop.

Alles van de olijfboom wordt gebruikt: de vruchten worden gegeten of er wordt olie uit geperst. Deze wordt in maaltijden verwerkt en diende in vroeger tijden als brandstof voor olielampen. Olijfolie is tevens het basis-ingrediënt van zeep. De stad Nabloes stond lang bekend om zijn talrijke zeepfabriekjes. Gedroogde olijfpitten worden gebruikt als kralen in gebedskettingen, maar er werden ook bakovens mee gestookt, vanwege het grote voordeel dat er daarbij nauwelijks rook vrijkwam. De bladeren en gesnoeide takken dienen als voer voor het vee en het hout wordt onder meer gebruikt om er (religieuze) kunstvoorwerpen van te maken.

Het oogsten van de olijven is een tijdrovend en zwaar karwei, dat  doorgaans in groter familieverband wordt gedaan. Voor veel Palestijnen is de olijfboom nog altijd een belangrijke bron van inkomsten.

In de bestaande situatie van overheersing en bezetting is de olijfboom behalve een symbool van vrede, tevens het symbool geworden van de band van het Palestijnse volk met Palestina. Het komt dan ook heel hard aan, dat Israel bij zijn kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever vele honderdduizenden olijfbomen gekapt of ontworteld heeft (tussen 2000 en 2009 alleen al een half miljoen). Daarbij blijkt er inmiddels een levendige handel te bestaan in zorgvuldig ontwortelde olijfbomen. Deze worden voor enkele duizenden dollars in Israel te koop aangeboden om er daar particuliere tuinen en parken mee op te sieren.

steden
Rondom de stichting van de Staat Israel in 1948 is 83 procent van de autochtone bevolking van Palestina – de Palestijnen – grotendeels door gericht geweld van joodse strijdgroepen en het Israelische leger uit Palestina’48 verdreven – en daarmee vluchteling geworden, dan wel binnenslands ontheemd geraakt. Het ging hier om een campagne van etnische zuivering, bedoeld om de kort daarvoor geproclameerde staat Israel een ruime joodse meerderheid te verschaffen.

Rond 500 ontvolkte Palestijnse dorpen en enkele stadwijken zijn vervolgens door Israel met de grond gelijk gemaakt om zo terugkeer van de vluchtelingen en ontheemden te bemoeilijken. In het landschap zijn de ruïnes van deze dorpen aan te treffen. Vaak zijn zij na hun verwoesting beplant en tot natuurreservaat gemaakt. In niet-verwoeste ontvolkte dorpen en stadwijken hebben zich na 1948 joodse kolonisten gevestigd.

De grootste concentraties Palestijnen in Palestina’48 bevinden zich nog in Galilea – in het noorden van Palestina’48 – en in de zogeheten Driehoek, ten noordoosten van Tel-Aviv.

Jaffa
Tot zijn neergang na de stichting van de Staat Israel in 1948, was Jaffa –aangeduid met de eretitel ‘Bruid van de Zee’ (Arus al-Bahr) – in economisch en sociaal opzicht de belangrijkste stad van Palestina.

Van het bestaan van de van oorsprong kanaänitische havenstad Jaffa is door Egyptische machthebbers al 15 eeuwen voor de aanvang van de christelijke jaartelling melding gemaakt. Na de Egyptische overheersers kwamen Fenicische en Griekse veroveraars. In 68 (christelijke jaartelling) voegde keizer Vespasianus Jaffa en grote delen van Palestina aan het Romeinse Rijk toe. Geruime tijd later volgden Arabische veroveraars en Kruisvaarders. Met het gedwongen vertrek uit Palestina van de laatsten is Jaffa opnieuw deel gaan uitmaken van opeenvolgende Arabische rijken en uiteindelijk vanaf 1515 van het Turks-Osmaanse Rijk.

Voor de inmiddels een onaanzienlijke vissershaven Jaffa is het tij vanaf het begin van de 19e eeuw gekeerd met de opkomst van de export van citrus, die in de nabije omgeving werd geteeld. Daarbij ging het al gauw om wereldhandel. Het succes van de citrushandel stimuleerde de opkomst van nijverheid in andere economische sectoren. Tegelijk ontwikkelde Jaffa zich tot het belangrijkste culturele-intellectuele centrum van Palestina, waar uitgeverijen en dagbladen (Filastin, Al-Difa) gevestigd waren. Zo werd Jaffa het kloppend hart van de Palestijnse economie.

Van meet af aan heeft Jaffa te maken gekregen met het opkomende politieke zionisme, dat joodse kolonisten naar de stad deed toestromen. In 1909 stichtten zij de buitenwijk Tel Aviv (Heuvel van de Lente), die aanvankelijk zou uitgroeien tot een aparte stad (1934) en na 1948 Jaffa zou opslokken (in 1950 formeel omgevormd in Tel Aviv-Yafo).

Op basis van het VN-Verdelingsplan zou Jaffa een enclave in de te vormen Joodse staat worden. Maar het is anders gelopen. In 1948 is in het kader van de campagne van etnische zuivering door joodse strijdgroepen en het Israelische leger en voorts als gevolg van het oorlogsgeweld rond 97 procent van de inwoners van Jaffa en directe omgeving verdreven: 116.000 van de 120.000. De achtergebleven 4000 Palestijnse inwoners werden vervolgens door de Israelische machthebbers geconcentreerd in de wijk Ajami. Deze werd omgeven met prikkeldraad. Israelische militairen patrouilleerden met honden om te voorkomen dat iemand de wijk zonder toestemming van de legercommandant in- of uitging. Joodse inwoners van Jaffa die er een vergelijkbare situatie in zagen als eerder in Oost- en West-Europa, gingen over de wijk spreken als over een ‘getto’. Deze situatie is blijven bestaan tot de afschaffing in 1966 van het voor Palestijnse staatsburgers tot dan toe geldende militaire regime.

Behalve dat zij met directe militaire controle te maken kregen, raakten de Palestijnse inwoners van Jaffa na 1948 sociaal en economisch gemarginaliseerd. Veel onroerend goed – grond, bedrijven, woonhuizen – was hen afgenomen, de arbeidsmogelijkheden waren beperkt en de huisvesting vormde vanwege natuurlijke aanwas (inmiddels 20.000 Palestijnse inwoners) en opgelegde bouwbeperkingen, een steeds nijpender probleem. De citrusproductie en -export was inmiddels door joodse Israeli’s overgenomen. ‘Jaffa’ werd een gerenommeerde merknaam voor Israelische citrusproducten.

De niet-verwoeste delen van de Oude Stad van Jaffa zijn later volledig gerestaureerd en een kunstenaarswijk geworden. Woonhuizen met een overduidelijk Arabisch karakter worden door joden bewoond. De aangrenzende wijken zijn de laatste jaren doelwit van ‘gentrificatie’: de bewoners van prachtige, zij het totaal vervallen (bouwvergunning werden niet verschaft) woonblokken – in Arabische stijl opgetrokken – werden met allerlei juridische trucs door een aan de overheid gelieerde woningcorporatie uit hun huizen uitgezet. Vervolgens zijn deze volledig gerenoveerd en tegen een veel hogere huur aangeboden aan onder meer bemiddelde joodse inwoners van Tel Aviv, die deze overvolle stad maar al te graag inruilen voor de kleinschalige ‘stadswijk’ Jaffa.

Haifa
In het noorden van Palestina’48 ligt aan een baai, tegen de Berg Karmel aangebouwd, de havenstad Haifa, die momenteel rond 280.000 inwoners heeft (en daarmee qua bevolkingsomvang de derde stad van Israel is).

Van menselijke bewoning was 3000 jaar terug al sprake. De Romeinen bouwden er in de eerste eeuw van de christelijke jaartelling een fort. Vanaf de 7de eeuw is ‘de stad’ deel gaan uitmaken van opeenvolgende Arabische rijken, later van het Turks-Osmaanse Rijk – met Kruisvaarders’ en Napoleontische intermezzo’s.

In de tweede helft van de 19e eeuw hebben de inspanningen van Duitse aanhangers van christelijk messianisme (Tempelgesellschaft), die zich toen in ‘het Heilige Land’ hadden gevestigd, een impuls aan de lokale economie gegeven: nijverheid en transport bloeiden op.

Een verdere impuls is uitgegaan van de aansluiting op de Hejaz-spoorlijn, die van Damascus naar Medina (thans Saoedi-Arabië) liep en die in 1905 werd gerealiseerd. In 1919 volgde aansluiting op de spoorlijn Cairo-Gaza-Lydda.

In de Britse Mandaatperiode werd Haifa overslaghaven voor olie, die vanaf 1934 via een pijplijn uit olievelden rond de Iraakse stad Kirkoek werd aangevoerd. Ook verrees er een olieraffinaderij (na de stichting van de Staat Israel in 1948 is de oliepijpleiding gesloten).

De massale instroom van joodse kolonisten heeft er eveneens toe bijgedragen dat Haifa uitgroeide tot de belangrijkste haven en een belangrijk centrum van handel en industrie in Palestina’48. Na 1948 verloor Haifa zijn Arabische achterland, ten gunste van het noordelijk gelegen Beiroet. Niettemin heeft Haifa op het punt van industriële productie zijn leidende positie in Israel weten te behouden.

In 1947 – een jaar voor de Stichting van de Staat Israel – werd Haifa bewoond door rond 71.000 Palestijnen en 74.000 joodse kolonisten.

Op basis van het VN-Verdelingsplan zou Haifa deel gaan uitmaken van de te vormen Joodse Staat. Door de campagne van etnische zuivering door joodse strijdgroepen en het Israelische leger en voorts als gevolg van het oorlogsgeweld zijn er in 1948-1949 van de 62.000 Palestijnse inwoners slechts 5000-6000 achtergebleven.

Van het in oude stijl gebouwde Palestijnse stadscentrum zijn slechts nog enkele resten over.

Thans vormen joodse Israeli’s 82 procent van het totaal aantal inwoners. Het merendeel van de Palestijnse bewoners heeft een christelijke achtergrond (14 procent). De resterende deel (4 procent) is moslim. In aantal gaat het om rond 50.000 Palestijnen.

Opvallend in het stadsbeeld zijn de fraaie tuinen en het eveneens fraaie mausoleum van de Báb – stichter van het bábisme en de voorloper van Bahá’u’lláh (1817-1892), grondlegger van het bahá’í-geloof – die tegen de wand van de Carmelberg zijn aangelegd, respectievelijk is gebouwd. Daar is het bahá’í-wereldcentrum gevestigd.

Akka (Acre)
Iets ten noorden van Haifa ligt de havenstad Akka, dat een rijk en roemrucht verleden heeft. Het is even oud als Jaffa. Ooit was het een belangrijk steunpunt in Palestina van de Romeinse overheersers.

In 1104 kwam het in handen van de Kruisvaarders, die de naam van de stad veranderden in Saint Jean d’Acre en het tot hoofdstad maakten van het Koninkrijk Jeruzalem.

Het Eerste Kruisvaarders Koninkrijk eindigde in 1187, toen de stad door de beroemde veldheer Salahudin (Saladin) al-Ayubi werd veroverd. In 1191 werd het door de Kruisvaarders heroverd, die er het Tweede Kruisvaarders Koninkrijk vestigden. Toen zij daaruit in 1291 opnieuw werden verdreven, verloren zij daarmee hun laatste steunpunt in ‘het Heilige Land’. Voorgoed.

Vanaf 1517 ging Akka deel uitmaken van het Turks-Osmaanse Rijk. Onder de Turkse gouverneur Ahmad Pasha al-Jazzar (17751804) maakte de stad vervolgens een grote bloeiperiode door en werd de citadel en de fortificatie verder versterkt. In de citadel verrees voorts de Grote Moskee.

Op basis van het VN-Verdelingsplan zou Jaffa een enclave in de te vormen Joodse staat worden. Dat was echter niet de uitkomst van de oorlog van 1948-1949. Akka kwam binnen Israel te vallen. Door de campagne van etnische zuivering door joodse strijdgroepen en het Israelische leger en voorts als gevolg van het oorlogsgeweld zijn er in 1948-1949 van de 17.000 Palestijnse inwoners slechts 4000 achtergebleven.

Een halve eeuw later was het Palestijnse bevolkingsdeel door natuurlijke aanwas gegroeid tot 14.000 (30 procent van de totale bevolking), van wie 95 procent in de Oude Stad woonde.

Net als in het geval van Jaffa is de Oude Stad aan gentrificatie bloot komen te staan (zie daarover de Jaffa-paragraaf).

In 2011 is de Oude Stad van Akka op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst.

Nazareth (Al-Nasira)
Nazareth is gelegen in Galilea (Al-Jalil) en is de grootste Palestijnse stad in Israel.

De oorsprong van deze door mensen bewoonde plaats gaat zo’n 9000 jaren terug. Vele machten hadden de streek in handen, om er vervolgens met achterlating van sporen weer uit te vertrekken.

Voor christenen is Nazareth van grote betekenis omdat daar de aartsengel Gabriel aan Maria de geboorte van een zoon zou hebben verkondigd, die zij Jezus moest noemen. Jezus zou vervolgens zijn jeugd in Nazareth hebben doorgebracht. Zijn nieuwe leer is overigens door zijn stadsgenoten niet goed ontvangen (de Profeet Mohammed overkwam hetzelfde in zijn geboortestad Mekka). De volgelingen van Jezus werden (en worden) in het Arabisch Nasrani – Nazareeërs ofwel christenen – genoemd.

Kruisvaarders hadden de streek waarin Nazareth ligt van 1099-1187 in handen. Daarna ging de macht over op Arabische veroveraars en nadien op Turkse Osmanen.

Op basis van het VN-Verdelingsplan zou Nazareth komen te liggen in de te vormen ‘Arabische’ staat. Joodse strijdgroepen en het Israelische leger hebben het gebied in 1948-1949 echter veroverd. Het had niet veel gescheeld of de bevolking van Nazareth was in zijn totaliteit etnisch gezuiverd. Zionisten-leider David Ben-Goerion vond dat echter om PR-redenen geen goed idee: het zou christenen wereldwijd tegen de zojuist gevormde Staat Israel innemen.

Een en ander verklaart waarom zich in Galilea een grote Palestijnse bevolkingsgroep bevindt. Om deze demografisch te verdunnen, is in 1957 op onteigende grond van inwoners van Nazareth een schaduwstad gebouwd: Nazareth Illit (Hebreeuws Natzrat Illit), ofwel Boven-Nazareth (in 2016 woonden daar 40.000 joodse Israeli’s).

In 2016 had Nazareth zelf een bevolking van 76.000 personen, van wie 31 procent christen – voor het merendeel Grieks-Orthodoxen en daarnaast Rooms-Katholieken en Grieks-Katholieken (Melkieten) – en 69 procent moslim is. Nazareth is met andere woorden niet langer een getalsmatig door christenen gedomineerde stad (in 1918 was nog twee derde van de inwoners christen).

Plannen om naast de beeldbepalende Verkondigingskerk een grote moskee te bouwen, hebben tot grote onderlinge spanningen geleid en zijn uiteindelijk – mede onder internationale druk – afgeblazen.

Plannen om naast de imposante Verkondigingskerk een grote moskee te bouwen, heeft tot grote onderlinge spanningen geleid en zijn uiteindelijk – mede onder internationale druk – afgeblazen.

Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza
Alle grote steden van de Westelijke Jordaanoever zijn gelegen op de bergketen die van noord naar zuid loopt: van Nabloes in het noorden (met in 2007 – de laatst gehouden census – rond 126.000 inwoners), via Ramallah/al-Bireh (65.000; de beide steden zijn met elkaar vergroeid), Oost-Jeruzalem (al-Quds; 225.000) en Bethlehem (Bayt Laham)/Bayt Jala/Bayt Sahur (50.000), tot aan Hebron (al-Khalil; 150.000) in het zuiden. In de Jordaanvallei is er voorts de stad Jericho (Ariha; 18.000) en tegen de noord- en westgrens met Israel zijn er onder meer de middelgrote steden Tubas (16.000), Jenin (39.000), Tulkarm (51.000) en Qalqiliya (41.000). Ruim de helft (rond 60 procent) van de Palestijnen woont evenwel niet in de stad, maar verspreid over 430 dorpen op het platteland.

In de Strook van Gaza zijn Gaza-Stad (Ghazzah; 449.000 inwoners) in het noorden en Rafah (122.000) in het zuiden, met daar tussenin Khan Younis (143.000), de grootste bevolkingscentra. Daarnaast zijn er tientallen dorpen en vluchtelingenkampen.

Het is niet toevallig dat de Palestijnse stad met de meeste inwoners in de Strook van Gaza ligt. Het vormt het meest verstedelijkte deel van de Palestijnse Gebieden, ja is zelfs overbevolkt. Die overbevolking is vooral toe te schrijven aan de massale instroom van Palestijnse vluchtelingen rondom het ontstaan van de Staat Israel in 1948 (driekwart van het aantal inwoners is vluchteling).

Jeruzalem (al-Quds)
De meest prominente stad op de Westelijke Jordaanoever is Jeruzalem (de naam is afgeleid van het Hebreeuwse Yerushalayim, dat ooit de hoofdstad van een joods koninkrijk zou zijn geweest). Moslims duiden haar aan met Bayt al-Mukaddas of Bayt al-Makdis (Heilig Huis), of kortweg met al-Quds (de Heilige). Haar prominente status ontleent Jeruzalem aan de Aqsa Moskee (de Meest Verre Moskee) en de Rotskoepel Moskee. Samen zijn deze gelegen op de Haram al-Sharif (het Gewijde Heiligdom), een ommuurd plateau in de Oude Stad. In navolging van de Profeet Mohammed richtten diens volgelingen zich bij het dagelijks gebed aanvankelijk naar Jeruzalem. Later verlegde hij de gebedsrichting (qibla) naar Mekka. Binnen de islam geldt al-Quds vanwege de nachtelijke hemelreis van de Profeet vanaf de rots op de Haram al-Sharif als een heilige plaats – in belang de derde, na Mekka en Medina (op het Arabisch Schiereiland). De tweede khalief (opvolger van de Profeet Mohammed), Omar Ibn al-Khattab, heeft na de verovering van Palestina door de Arabieren in 638 (christelijke jaartelling) de Aqsa Moskee gebouwd, op de plaats waar de Profeet gebeden zou hebben. In 690 liet de vijfde Omajaden-khalief, Abdul Malik Ibn Marwan, dit gebouw door een meer permanente structuur vervangen. Ook liet hij de Rotskoepel Moskee bouwen.

Op de bewuste plaats zouden eerder de Eerste en de Tweede Tempel van de joden hebben gestaan. De laatstgenoemde is in 70 (christelijke jaartelling) door de Romeinen verwoest. Gelovige joden beschouwen de Westelijke Muur (HaKotel HaMa’aravi) – beter bekend als de Klaagmuur – als een laatste restant van de Tweede Tempel en deze is daarmee hun belangrijkste heilige plaats. Vóór de Klaagmuur bevindt zich – opvallend voor een eeuwenoude stad – thans een groot plein. Dat is onmiddellijk na de verovering van de stad door Israel in 1967 gecreëerd door zonder veel omhaal de Palestijnse Mughrabi (Marokkaanse) Wijk plat te bulldozeren (de 650 bewoners kregen drie uur de tijd om hun spullen bij elkaar te pakken).

De Haram al-Sharif wordt door joden aangeduid als de Tempelberg (Har haBayit). In latere jaren heeft de Romeinse keizer Justinianus op het plateau de Kerk van de Heilige Maria laten bouwen, die op haar beurt in 614 (christelijke jaartelling) door binnenvallende Perzen met de grond gelijk is gemaakt.

Ook voor christenen is Jeruzalem een Heilige Stad. Op de plaats waar Jezus van Nazareth gekruisigd (de Calvarieberg, Golgotha), begraven en herrezen zou zijn, is later de Kerk van het Heilig Graf gebouwd. Samen met de Geboortekerk in het naburige Bethlehem is deze kerk het belangrijkste christelijke pelgrimsoord in de wereld. Door de Oude Stad loopt de Via Dolorosa, waar Jezus zijn laatste gang moet hebben gemaakt, en even buiten de Oude Stad zijn vele, in de Bijbel genoemde plaatsen, zoals de Olijfberg (Djabal al-Zaytun) en de Hof van Gethsemane. In de Oude Stad hebben zich in de loop der eeuwen vier wijken gevormd: een christelijke, Armeense, islamitische en een joodse.

Jeruzalem is in haar lange geschiedenis in de handen van vele, elkaar opvolgende overheersers geweest: van Israelieten, Grieken, Perzen, Romeinen, Arabieren, Kruisvaarders tot Turkse Osmanen. In 1517 werd de stad door sultan Selim I veroverd en ingelijfd in het Turks-Osmaanse Rijk. Deze liet tussen 1537 en 1541 beeldbepalende stadsmuren herbouwen en de Rotskoepel Moskee verfraaien. Tot 1918 bleef Jeruzalem/Palestina deel uitmaken van het Turks-Osmaanse Rijk – dat wil zeggen vier eeuwen lang.

Jeruzalem is sinds de oorlog van 1948-1949 een gedeelde stad. Toen is door Israel het westelijke deel in bezit genomen, het oostelijke deel, inclusief de Oude Stad met haar heiligdommen en uitgestrekte soek (overdekte markt), door Jordanië. Tijdens de Juni-Oorlog van 1967 wist Israel ook Oost-Jeruzalem te veroveren. Op bezetting is annexatie gevolgd (informeel op 28 juni 1967, formeel op 30 juli 1980), waarna Jeruzalem tot ‘de eeuwige, ondeelbare hoofdstad van de Staat Israel’ is verklaard.  Tegelijk is de gemeentegrens een flink stuk in zowel noordelijke, oostelijke als in zuidelijke richting verlegd. Daarmee is behalve de 6 kmvan Oost-Jeruzalem nog eens 64 km2 extra door Israel geannexeerd (een vertienvoudiging van het territorium).

Door de internationale gemeenschap is in 1980 de annexatie van Oost-Jeruzalem veroordeeld. Om hun protest kracht bij te zetten, verplaatsten de meeste landen hun ambassade van West-Jeruzalem naar Tel Aviv (waaronder Nederland en België).

Na 1967 is om Oost-Jeruzalem een keten van joodse nederzettingen gebouwd, bedoeld om de greep van Israel op de stad te versterken en de natuurlijke groei van Palestijns Oost-Jeruzalem te blokkeren. Ook in de Oude Stad wordt een actieve politiek van verjoodsing doorgevoerd, in het kader waarvan woningen van Palestijnen worden onteigend, dan wel via Palestijnse stromannen of corrupte Palestijnse functionarissen aangekocht, om er vervolgens joodse kolonisten te huisvesten. Door het opleggen van uiterst restrictieve maatregelen in 1993 en vooral sinds de bouw van de Muur met zijn intimiderende ‘grensovergangen’, is Oost-Jeruzalem in de praktijk nauwelijks nog toegankelijk voor Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. De stad is voor hen als het ware in het buitenland komen te liggen. Daarmee zijn zij behalve van hun spiritueel-religieus centrum tevens van belangrijke medische en andere voorzieningen in Oost-Jeruzalem afgesneden.

Nabloes
Net als de andere grote steden op de Westelijke Jordaanoever is Nabloes een regionaal administratief centrum, een knooppunt van handel en nijverheid, met daarnaast grotere onderwijs- en medische faciliteiten. De stad bedient daarbij onder meer de 56 dorpsgemeenschappen, die zich in de gelijknamige provincie bevinden, evenals de drie grote vluchtelingenkampen die na 1948 nabij de stad zijn verrezen.

De oorsprong van Nabloes is terug te voeren op de Romeinse stad Flavia Neapolis (Nieuwe Stad van Flavia), die in het jaar 72 (Christelijke Jaartelling) door keizer Titus is gesticht. De keuze van de naam was een eerbewijs van Titus aan zijn vader en voorganger, keizer Titus Flavius Vespasianus. ‘Nabloes’ is een Arabische omzetting van Neapolis.

De prominente positie die de stad van oudsher heeft ingenomen, valt onder meer af te lezen aan de Oude Stad, die qua omvang, schoonheid en sfeer nauwelijks voor die van Jeruzalem onderdoet.

In de loop van de 19e eeuw wist Nabloes uit te groeien tot een van de belangrijkste centra van handel en nijverheid in het toenmalige Groot-Syrië. Zij werd in die dagen ‘de stad van de hamams en de zeep’ genoemd, vanwege de tientallen openbare badhuizen en zeepfabriekjes. Nadien zou Nabloes een belangrijk centrum van Palestijns nationalisme worden. Dit alles vormt ongetwijfeld de verklaring voor het aanwezig zijn van een sterk lokaal zelfbewustzijn.

Het is daarom ook niet verwonderlijk dat de Israelische bezettingsmacht na 1967 aan Nabloes een flinke kluif heeft gehad. Politieke en economische strafmaatregelen – en de bezetting in het algemeen – hebben de economische en politieke positie van de stad inmiddels behoorlijk ondermijnd. Vooral nadat Israel na het uitbreken van de Tweede Intifada (september 2000) ernstige belemmeringen aan het personen- en goederenverkeer is gaan opleggen. Dat gebeurde door het oprichten van een tiental checkpoints op de uitvalswegen, het afkondigen van (soms langdurige) uitgaansverboden, het verplicht stellen van reisvergunningen, enzovoort. In februari 2002 is voorts sprake geweest van een tijdelijke ‘herovering’ van de stad door het Israelische leger – in  2007 nog eens dunnetjes overgedaan – waarbij onder meer in de Oude Stad aanzienlijke materiële schade is aangericht. Kale plekken geven aan waar voorheen eeuwenoude gebouwen hebben gestaan. Vanwege het ontbreken van de benodigde financiële middelen en de vereiste expertise is wederopbouw tot heden achterwege gebleven. De aanblik is er een van een gebit dat enkele tanden en kiezen mist. Overigens is met buitenlands geld elders in de Oude Stad met de renovatie een begin gemaakt.

Ramallah
De neergang van Nabloes is door een samenspel van factoren Ramallah (Hoogte van God) ten goede gekomen. Nog maar ruim een halve eeuw geleden ging het hier om een provinciestad, met een overwegend christelijke bevolking. Investeringen van christelijke instellingen uit het buitenland in onder meer het onderwijs, hebben de stad vanaf het eind van de 19e eeuw een eerste impuls gegeven. Ook indirect, want nogal wat van de afgestudeerden vertrokken vervolgens naar vooral Noord- en Zuid-Amerika in de hoop daar een beter bestaan op te bouwen (inmiddels wonen er meer voormalige inwoners van Ramallah en hun nakomelingen in de Verenigde Staten dan in Ramallah zelf). De band met hun achterblijvende families is daarbij in veel gevallen niet verloren gegaan. Succesvolle emigranten zijn in het verlengde daarvan in Ramallah in onroerend goed, in economische activiteit en in onderwijs voor naaste verwanten blijven investeren. De massale toestroom van vluchtelingen in 1948 heeft de stad een volgende impuls gegeven.

Maar de echte doorbraak is gekomen met het Oslo-proces in 1993. Toen heeft het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) van Yasser Arafat zijn hoofdkwartier in Ramallah opgeslagen omdat vestiging in (geannexeerd) Oost-Jeruzalem voor Israel onbespreekbaar was en is. Israel ziet daarom graag dat Ramallah zich – in welk politiek scenario dan ook – ontwikkelt tot een alternatief voor Oost-Jeruzalem. De vestiging van de PNA plus bijbehorende ministeries heeft veel Palestijnse NGO’s de richting van Ramallah op gedirigeerd. Ook aan hoger opgeleiden van elders (uit Nabloes bijvoorbeeld) begon de stad beroepsmogelijkheden te bieden. Daar zit immers het (Westerse donor-) geld en daar worden door de Palestijnse autoriteiten de belangrijke besluiten genomen. De groei en de uitbreiding van Ramallah zijn als gevolg van dit alles spectaculair geweest. Eerder was de stad overigens al met het naburige al-Bireh vergroeid. De christelijke oorsprong (inmiddels vormen moslims een ruime meerderheid) en het verhoudingsgewijs grote aandeel van middenklasse in de bevolking, vormen mogelijk de verklaring voor het bestaan van een wat vrijere, vooruitstrevender sfeer in de stad dan elders veelal het geval is.

Bethlehem (Bayt Laham)
Bethlehem (Huis van Vlees), 10 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, is eerst en vooral bekend omdat daar Jezus van Nazareth geboren zou zijn. Over de bewuste plaats is nadien de Geboorte Kerk gebouwd – een van de belangrijkste christelijke pelgrimsoorden in de wereld. Om die reden was Bethlehem eeuwenlang een stad met een christelijke bevolking. Dat zou in 1948 veranderen door de toestroom van duizenden vluchtelingen. Inmiddels is de stad vergroeid met twee naburige christelijke dorpen, Bayt Jala en Bayt Sahur, en zij vormt de grootste concentratie van christelijke Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever.

Vanaf het midden van de 19e eeuw is religieus gemotiveerd toerisme voor Bethlehem een belangrijke inkomstenbron geworden. In de aanloop naar de 2000 Millennium festiviteiten heeft de stad – anticiperend op een massale instroom van pelgrims – een grote opknapbeurt gehad. Daarbij zijn grote delen van het historische centrum gerenoveerd. Nog in datzelfde jaar zou de Tweede Intifada evenwel een forse streep door de rekening zetten. Want nadien is door het invoeren van restrictieve maatregelen door de Israelische bezettingsmacht en door de onveilige situatie in het algemeen, het religieus toerisme sterk onder druk komen te staan.

De economische positie van Bethlehem als regionaal centrum is verder ondermijnd door grondverlies als gevolg van de bouw van de 8 meter hoge Muur. Het noordelijk deel van de stad heeft een grimmige aanblik gekregen, nadat het in 1997 door Israel geannexeerde terrein rond de Tombe van Rachel (Qubbat Rakhil; de vrouw van aartsvader Jacob), in 2002 door de Muur van de Westelijke Jordaanoever is afgescheiden. Waar de Muur pal aan woonhuizen en winkels van Palestijnen grenst (en de bewoners het zicht volledig ontneemt), is het sociale en economische leven volledig plat komen te liggen.

Al-Khalil (Hebron)
Al-Khalil geldt als een van oudste steden ter wereld. Arabieren duidden de plaats aanvankelijk aan met Masjid Ibrahim (Moskee van Ibrahim). Want daar, in de Grot van de Patriarchen, zou aartsvader Ibrahim (Abraham) begraven liggen, samen met diens zoon Ishaq (Izaak) en kleinzoon Yaqub (Jacob), en hun respectievelijke vrouwen Sarah, Rebecca en Leah. Ibrahim zou een voorvader van de Profeet Mohammed zijn. Omdat Ibrahim door moslims wordt aangeduid als ‘de Vriend (Al-Khalil) van God’, is dit van oudsher onder Palestijnen de gebruikelijke aanduiding voor de stad geweest.

Vanwege haar religieuze belang is er in de stad – net als in Jeruzalem en elders – door de eeuwen heen een kleine gemeenschap van religieuze joden gevestigd geweest. In een periode van sterk opgelopen politieke spanningen tussen zionistische joden en Palestijnen zijn tijdens gewelddadigheden op 23 en 24 augustus 1929 leden van deze joodse gemeenschap – die niets van het politieke zionisme moesten hebben – door demonstrerende Palestijnen aangevallen. Daarbij is een aantal van hen omgebracht. Anderen zijn door hun Palestijnse buren verborgen en hebben zo aan de volkswoede kunnen ontkomen. De overigen zijn naar elders gevlucht.

Onder verwijzing naar dit voorval uit het verleden hebben religieuze joodse kolonisten, kort na de verovering van de Westelijke Jordaanoever in 1967, bezit genomen van eerst een, en vervolgens een reeks gebouwen in het centrum van Al-Khalil. Een provocatie van de eerste orde, waartegen de Israelische autoriteiten destijds niet hebben willen optreden. De aanwezigheid van de joodse kolonisten is nadien een bron van grote spanningen geworden, die de stad ernstig in haar functioneren als het belangrijkste handels- en nijverheidscentrum in het zuidelijke deel van de Westelijke Jordaanoever heeft belemmerd. Na een reeks incidenten is de Israelische regering er in 1997 toe overgegaan om de stad in twee delen op te delen: H1, dat 80 procent van het grondgebied van de stad beslaat en waar rond 115.000 Palestijnen wonen; en H2, de resterende 20 procent, inclusief het deel van de binnenstad waar zich de Ibrahimi Moskee bevindt en waar zich na 1967 zo’n 600 joodse kolonisten hebben gevestigd; zij zijn daar tussen 35.000 Palestijnen komen te wonen; 1500 Israelische soldaten en politieagenten zijn met de bescherming van de joodse kolonisten belast.

Op basis van militaire orders is een complete wijk in het commerciële hart van de stad voor Palestijnen afgesloten. Deze is inmiddels door de elementen behoorlijk aangetast en op sommige plaatsen door struiken overwoekerd. Een wandeling door de uitgestorven straten roept beelden op van Chernobyl na de ramp.

Ook de Ibrahimi Moskee, waar een joodse kolonist op 25 februari 1994, 29 biddende Palestijnen doodschoot en een veelvoud van hen verwondde, is inmiddels opgedeeld: 40 procent van de ruimte is moskee gebleven, 60 procent (!) is een synagoge geworden.

Gegeven de uiterst moeilijke politieke en economische omstandigheden dreigde de nabij gelegen, zwaar in verval zijnde Oude Stad eveneens verloren te gaan. Maar die dreiging is inmiddels afgewend, dankzij een omvangrijk restauratieproject, dat met buitenlands geld is gefinancierd. De leegloop van de Oude Stad is daarmee tot staan gebracht.

In 2017 is de Oude Stad van Al-Khalil op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst. Dat leverde, zoals te verwachten viel, luid protest van de kant van Israel op.

Gaza-Stad (Ghazza)
Gaza-Stad is met bijna een half miljoen inwoners het grootste bevolkingscentrum in de Palestijnse Gebieden. Die positie is het directe gevolg van de massale instroom van vluchtelingen in 1948. De stad ligt 5 km landinwaarts, op een heuvel, maar is in de loop van de 20e eeuw volledig met de gelijknamige haven vergroeid.

Zij ligt aan een eeuwenoude handelsroute die van het huidige Egypte, via de Middellandse Zeekust, naar Syrië en dieper in Arabië voerde. In het verlengde van deze handelskontakten hielden Arabieren zich reeds lang vóór de komst van Arabische veroveraars en de islam in de zevende eeuw (christelijke jaartelling) in Gaza op. Onder hen de overgrootvader van de Profeet Mohammed, Hashim Ibn Abd Manaf, een prominente handelaar, wiens graf zich in de Sayyid Hashim Moskee in Gaza-Stad bevindt.

Die handelsroute was tevens een landbrug waarover de legers van een reeks opkomende en ondergaande rijken getrokken zijn – dieper landinwaarts zouden deze al snel met een drinkwaterprobleem te kampen krijgen. Met als gevolg dat Gaza in haar lange geschiedenis vele malen is belegerd en veroverd. Daarbij is de stad vele malen zwaar beschadigd geraakt, haar bevolking grotendeels omgekomen of naar elders uitgeweken. Vanwege haar strategische ligging heeft Gaza-Stad – ooit ommuurd – veelal als garnizoensstad gefungeerd.

Later zijn veroveraars ook vanuit Europa gekomen. Zo viel een zwaargehavend Gaza in 1799 in handen van de Franse keizer Napoleon Bonaparte en ruim een eeuw later – na een beleg van acht maanden – van de Britse generaal Edward Allenby (1917). Tussen 1948 en 1967 stond de Strook van Gaza onder controle van Egypte. Sindsdien wordt deze door Israel bezet gehouden – vanaf 2005 op afstand. Als gevolg daarvan is de  sociaaleconomische structuur van de samenleving daar volledig ontwricht geraakt.

Maar dit is niet het hele verhaal. In tijden van rust en vrede was het een florerende (haven)stad. Een centrum ook van onderricht en van denkers – en het geldt sinds de nadagen van het Turks-Osmaanse Rijk als één van de politiek-intellectuele en nationalistische bolwerken van Palestina.

joodse nederzettingen
Een beschrijving van het landschap van de Palestijnse Gebieden zou niet compleet zijn, wanneer niet wordt stilgestaan bij de joodse nederzettingen die na 1967 op de Westelijke Jordaanoever zijn gebouwd (de nederzettingen in de Strook van Gaza zijn in de zomer van 2005, in het kader van een hergroepering van de strijdkrachten, door Israel ontmanteld).

Inmiddels zijn dat er 145 (waarvan 26 in en rond geannexeerd Oost-Jeruzalem), plus een 100-tal ‘buitenposten’ (het verschil tussen een nederzetting en een buitenpost is, dat het bestaan van de laatste niet door de Israelische autoriteiten is gelegaliseerd). In grootte variëren zij van een verzameling van enkele tientallen woonhuizen tot middelgrote steden. Zo telde de nederzetting Ma’ale Adumin (ten oosten van Jeruzalem) in 2016 ongeveer 37.000 bewoners en Ari’el (halverwege Nabloes en Ramallah) 19.000.

Volgens Israelische bronnen woonden er eind 2016 verspreid over deze nederzettingen en buitenposten rond 620.000 joodse kolonisten, van wie ruim 200.000 (32 procent) gehuisvest zijn in een keten van grote nederzettingen rond geannexeerd Oost-Jeruzalem. Zij vormen daarmee ongeveer 23 procent van het totaal aantal bewoners van de Westelijke Jordaanoever (10 procent van het joodse bevolkingsdeel van Israel).

Tegen de achtergrond van deze cijfers is het niet verwonderlijk, dat de nederzettingen het landschap van de Westelijke Jordaanoever op meerdere plaatsen sterk domineren. Met name in de regio Jeruzalem waar het grootste deel de joodse kolonisten geconcentreerd is. Maar ook elders zijn er in de omgeving altijd wel een of meerdere nederzettingen waar te nemen. Deze zijn doorgaans op heuveltoppen gesitueerd en gemakkelijk te herkennen aan de rode dakpannen van de woonhuizen.

infrastructuur
Israel (Palestina’48) is een moderne staat met een hoogontwikkelde economie en een dienovereenkomstig ontwikkelde infrastructuur: wegennet, spoorbanen, metrolijnen, sneltrams, havens, vliegvelden, industrie, irrigatielandbouw, elektronisch dataverkeer, enzovoort. De Palestijnen participeren als derderangs burgers maar terzijde in. Zij worden uit de hogere functies in genoemd sectoren geweerd. Hun woongebieden zijn ‘onderontwikkeld’ in vergelijking met die van de joodse Israeli’s. De toewijzing van overheidsgelden naar Palestijnse gemeenschappen is een stuk lager dan die aan joodse gemeenschappen. Het is een vertaling van het gegeven dat Israel eerst en vooral een staat is voor zijn joodse burgers.

Wat de Westelijke Jordaanoever betreft: de bouw daar van joodse nederzettingen is hand in hand gegaan met de aanleg van een wegennet, dat de nederzettingen met elkaar en met Israel verbindt. Vanaf 1983 is daaraan door Israel gewerkt. De zogeheten bypass roads mogen alleen gebruikt worden door personen die over het Israelische staatsburgerschap beschikken (een Israelische nationaliteit bestaat niet), evenals door Palestijnen met een Jeruzalem-identiteitskaart. Hun auto’s hebben een gele nummerplaat. Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden, van wie de auto’s een blauw kenteken hebben, is het verboden van de bypass roads gebruik te maken. Op overtreding staat een hoge geldboete en – in geval van herhaling – confiscatie van het voertuig en gevangenisstraf.

De beste wegen op de Westelijke Jordaanoever zijn de bypass roads: goed geasfalteerd, goed verlicht, meerdere rijbanen, vaak via speciaal aangelegde tunnels en viaducten. Voor de Palestijnen zijn er de secundaire wegen, die veelal door het heuvellandschap en door de bebouwde kom slingeren en overwegend in een slechte staat verkeren. Waar de secundaire wegen en de bypass roads elkaar kruisen, gaat de eerste steeds over de tweede heen. Daarmee ontstaat een doorgang die in tijden van oplopende politieke spanningen afgesloten kan worden, waardoor het doorgaande autoverkeer wordt stilgelegd. Door op honderden plaatsen op de rijbaan obstakels te plaatsen (betonblokken, aarden wallen), wordt het doorgaande verkeer voorts langs wegen gedirigeerd, die uiteindelijk bij een van de vele permanente checkpoints van de Israelische bezettingsmacht uitkomen. Ook zijn er zogeheten vliegende checkpoints.

De aanleg van de bypass roads is gepaard gegaan met een aanzienlijk verlies aan Palestijnse grond. Zo zijn deze standaard aan beide zijden voorzien van een bufferstrook van 50-75 m breed, waarbinnen niet gebouwd mag worden. Als gevolg daarvan is met elke 100 km aanlegde wegen ongeveer 10 km2 grond gemoeid. Met in totaal 1661 km aangelegde weg in 2007, gaat het hier inmiddels om 166 km2 alleen al voor dit doel geconfisqueerde Palestijnse grond. Israel stelt dat de aanleg van het netwerk bypass roads vooral door veiligheidsoverwegingen ingegeven is geweest, maar dat is slechts één van de achterliggende redenen.

Het grondgebied van de Westelijke Jordaanoever is door de joodse nederzettingen en de daarbij behorende infrastructuur – bypass roads, tunnels, checkpoints – versnipperd in 225 eilandjes – eilandjes in een zee van door de Israelische bezettingsmacht volledig gecontroleerd gebied. Territoriale continuïteit ontbreekt. Verplaatsing over de Westelijke Jordaanoever (niet veel groter dan de provincie Noord-Brabant) is voor Palestijnen een tijdrovende aangelegenheid geworden.

de Muur
Sinds 2002 wordt door Israel op de Westelijke Jordaanoever, aan de westzijde, over een lengte van ruim 700 km een afscheiding gebouwd, bestaande uit een 8 m hoge muur, die in delen van het traject in een hek overgaat. Dat de Muur grotendeel over Palestijns grondgebied loopt, valt af te leiden uit zijn lengte: ruim tweemaal die van de grens (de ‘Groene Lijn’; 1949-1967) tussen Israel en de Westelijke Jordaanoever. Aan weerszijde van de Muur bevindt zich een 80-100 m brede zone, waarbinnen niet mag worden gebouwd. Op meerdere plaatsen gaat de Muur dicht langs, of zelfs dwars door de bebouwde kom heen. Als gevolg daarvan maakt deze een grove inbreuk op de leefomgeving van Palestijnen. Door verlies van landbouwgrond aan de andere zijde van de Muur zijn velen van hen bovendien economisch zwaar getroffen (Israel zal zo de facto nog eens 10 procent van het grondgebied van de Westelijke Jordaanoever annexeren). In 2012 was in totaal 440 km (62 procent) van het traject gerealiseerd.

Het landschap heeft door de Muur een grimmige aanblik gekregen. De Strook van Gaza is overigens eerder al geheel door muren en hekken omgeven en daarmee van de buitenwereld afgesneden.

Als gevolg van de alomvattende jaar blokkade sinds 2007 en drie verwoestende militaire offensieven door Israel, is de infrastructuur van de Strook van Gaza vernietigd, zwaar beschadigd of functioneert niet langer. Het betekent dat er grote tekorten zijn aan schoon drinkwater en elektriciteit, dat de riolering niet langer functioneert, dat de huisvesting, de gezondheidszorg en het onderwijs geenszins voorziet in de behoefte. De economie ligt plat.

In 2015 waarschuwde de UN Conference on Trade and Development (UNCTAD), dat wanneer de bestaande economische trend zich doorzette, de Strook van Gaza binnen vijf jaar ‘onbewoonbaar’ voor mensen zou kunnen zijn.