E1 – een joodse nederzetting in de wachtkamer

‘transfer’ bedoeïenen

Wendy Pullan

Het 12,4 km2 omvattende E1 – East1, in het Hebreeuws aangeduid met Mevasseret Adumim – lijkt op het eerste gezicht niet meer te zijn dan een dor stuk land waarop wat schapen grazen. Toch is het geografisch-strategische belang ervan zeer groot. Want E1 vormt de ontbrekende schakel in de keten van joodse nederzettingen rond Oost-Jeruzalem. Eenmaal volgebouwd, zal het in combinatie met de omvangrijke joodse nederzetting Ma’ale Adumim (40.000 inwoners) een bebouwde corridor vormen, die de Westelijke Jordaanoever in twee stukken opdeelt. Om die reden bezorgen de Israelische bouwplannen zowel Palestijnen als de internationale gemeenschap kopzorgen.

Noord-Zuid continuïteit hier op de Westelijke Jordaanoever is van kritisch belang, omdat verder naar het oosten het bergachtige woestijngebied onbewoond en weinig efficiënt te doorkruisen is. Opdeling van de Westelijke Jordaanoever betekent een verdere ondermijning van een te vormen, levensvatbare Palestijnse staat. De zogeheten twee staten-oplossing waaraan door de internationale gemeenschap wordt vastgehouden, zal tot het verleden behoren.

Heel ongebruikelijk heeft de internationale gemeenschap in de E1-kwestie richting Israel een rode lijn getrokken in het stuifzand van geconfisqueerd Palestijns grondgebied. Zo moest Israel in 2004 onder druk van de regering van George Bush jr. van zijn bouwplannen afzien. Nadien is de bouw een pressiemiddel in de handen van Israel gebleven, waarmee naar believen gedreigd kon worden: zo is ermee gezwaaid na de opwaardering van de positie van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) in de VN in november 2012 en als actiepunt kwam het goed van pas in de verkiezingscampagne van 2013, toen er gesproken werd over de bouw van 3000 wooneenheden.

Maar wat heeft E1 te maken met de stedelijke conflicten in Jeruzalem? E1 maakt samen met Ma’ale Adumim deel uit van een schiereilandachtig uitsteeksel aan de gemeentegrens van Jeruzalem van na 1967. Er staan ongeveer 15.000 wooneenheden gepland, plus een zakencentrum en een industrieterrein. Samen met Ma’ale Adumim zou dit de vorming van een kleine stad betekenen. Meteen na de Juni-Oorlog van 1967 is met de annexatie van Oost-Jeruzalem en andere delen van de Westelijke Jordaanoever het grondgebied van Jeruzalem al verdrievoudigd (van 36 tot 108 km²). Die annexatie is door de internationale gemeenschap nooit erkend. Desondanks wordt door Israel toegewerkt naar de verdere uitbreiding van Jeruzalem, door Ma’ale Adumim/E1 aan de Israelische kant van de Muur te laten vallen. De facto heeft men daarmee het grondgebied van Jeruzalem al verder vergroot. Voor de Palestijnen maakt dit onderdeel uit van de Israelische inspanningen om de stad te verjoodsen. Maar niet alleen de omvang van de annexatie is relevant. Door de stadsgrenzen verder te verleggen, wordt het aangezicht van de stad veranderd. Zo is E1 een les in hoe etnisch betwiste steden door uitbreiding overgenomen kunnen worden.

Door over een periode van ruim bijna 50 jaar joodse nederzettingen te vestigen op strategische plaatsen teneinde voor Israel ruimtelijke continuïteit te creëren en in dat proces die van Palestina te vernietigen, is een fysieke scheiding tussen joodse Israeli’s en Palestijnen vrijwel onmogelijk geworden. Veel van die nederzettingen zijn inmiddels omvangrijke wooncentra, die waarschijnlijk niet meer in het kader van een eventuele regeling met de Palestijnen zullen worden ontruimd. De zogenaamde twee-staten-oplossing is daarmee een gepasseerd station geworden. Mocht E1 in dit verband nog een kritisch verschil kunnen betekenen, dan is dat in Jeruzalem.

E1 grenst in het oosten niet alleen aan Ma’ale Adumim, ten noorden ervan ligt een andere grote joodse nederzetting, Pisgat Ze’ev. Samen vormen zij een enorm blok, dat het zwaartepunt van Jeruzalem in oostelijke richting verlegt. Oost-Jeruzalem ligt niet langer meer ten oosten van de stad. Het Palestijnse stadsdeel wordt steeds meer een smalle strook land, die ingeklemd zit tussen West-Jeruzalem en almaar in omvang toenemende joodse nederzettingen aan de oostelijke en noordoostelijke kant. Veel van de Palestijnse dorpen in de periferie van Jeruzalem bevinden zich aan de Palestijnse kant van de Muur en zijn daarmee in de praktijk komen te vallen onder de Gemeente Bethlehem in het zuiden en de Gemeente Ramallah in het noorden. Het blok van Pisgat Ze’ev/E1/Ma’ale Adumim zal dat verder bestendigen, ongeacht het feit dat het hier gaat om van oudsher ‘Jeruzalemse dorpen’, die vele generaties commerciële, religieuze, sociale en familiale banden met de stad onderhouden. De betreffende dorpen moeten zich nu in een andere richting oriënteren, zonder dat daarbij oog is gehouden voor het feit dat met het ontwikkelen van nieuwe loyaliteiten jaren, zo niet generaties gemoeid zijn.

Wat zal er verder met Jeruzalem gebeuren? De veranderingen daar laten zich raden: in het centrale deel zullen enkele Palestijnse middenklasse buurten blijven bestaan; in Oost-Jeruzalem zullen er de Palestijnse hotels zijn voor christelijke pelgrims; en natuurlijk is er de overwegend door Palestijnen bewoonde Oude Stad en het gebied daar direct omheen, dat vaak wordt aangeduid met ‘The Holy Basin’. De aanwezigheid van wat ‘goede Arabieren’ zal de esthetiek en de handel in de historische wijken van de stad, ten behoeve van het toerisme, ten goede komen. Terwijl de Heilige Plaatsen en andere historische bezienswaardigheden onder Israelische jurisdictie zullen blijven, zal de stad verder verjoodsen en zullen de meeste, ‘problematische’ Palestijnse delen aan directe Israelische verantwoordelijkheid onttrokken worden.

Noord-Zuid mobiliteit op de Westelijke Jordaanoever is, zoals gezegd, essentieel voor de Palestijnen. Een cruciale rol in de E1-configuratie wordt daarnaast vervuld door de Oost-West-verbinding en deze is in handen van Israel. Op dit moment is Ma’ale Adumim met Jeruzalem verbonden door een smalle autoweg die deel uitmaakt van een gescheiden wegennet, dat is aangelegd om de joodse nederzettingen met elkaar en met Israel te verbinden en daarbij Palestijnse steden en dorpen gebieden te mijden (de zogeheten bypass roads). Meer nog dan de Muur is mobiliteit de sleutel tot het in stand houden van de bezetting. Het werkt op twee manieren: het belemmeren van doorgang in het geval van de Palestijnen en het faciliteren daarvan in het geval van de joodse kolonisten en andere joodse Israeli’s. Snel, direct en beschouwd als veilig, zijn de bypass roads bedoeld om joodse kolonisten het gevoel te geven dat zij ‘nabij Jeruzalem’ of ‘gewoon aan de weg naar Tel Aviv’ wonen. In hun belangrijke boek over de joodse nederzettingen, hebben Edith Zertal en Akiva Eldar uitgelegd dat deze infrastructuur voor de joodse kolonisten hun ‘levenselixer is … het geheim van hun macht’, zonder welke zij niet kunnen bestaan.

E1 zal de rand van de ringweg vormen en het Israelische grondgebied verdichten – van een smalle strook land tot een belangrijk onderdeel van de stedelijke Jeruzalem. De truc van het ‘gewoon langs de weg wonen’ van Jeruzalem zal bewaarheid worden wanneer de stad niet alleen met de grote joodse nederzettingen verbonden zal zijn, maar deze opgenomen heeft. Wij hebben dit proces zich eerder in andere delen van de stad zien voltrekken: joodse  nederzettingen zoals French Hill en Ramot Eshkol die 30 jaar geleden op afstand lagen en niet erg geliefd waren om te wonen, zijn inmiddels door de stad geabsorbeerd. De bomen zijn er gegroeid, huizen zijn er gekocht en weer verkocht en kinderen lanterfanten er op weg van school naar huis. Jonge Israeli’s weten niet dat deze buurten aanvankelijk geen deel van de stad uitmaakten en zijn niet in staat aan te geven waar de zogeheten Groene Lijn loopt (de grens tussen Israelisch West- en bezet Jordaans Oost-Jeruzalem tussen 1948 en 1967). Het is een geleidelijk maar aanhoudend proces van groei, waarbij het korte geheugen van het publiek een van de belangrijkste elementen is voor het bestendigen van geopolitieke imperatieven.

Zowel in Jeruzalem als in het buitenland is er discussie over de vraag of Israel bluft, wanneer het spreekt over zijn voornemen om E1 vol te gaan bouwen. Sommigen menen dat internationale druk dit kan verhinderen. Maar er zijn aanwijzingen dat de tijd er wellicht rijp voor is. De verwezenlijking van het Ma’ale Adumim/E1-blok is sinds de jaren negentig onderdeel van Israelisch beleid – zowel van rechts als van links van het midden. E1 lijkt een lege, onvruchtbare strook land – met uitzondering van de bedoeïenenstammen die er schapen en runderen laten grazen maar die worden in de controverse volledig over het hoofd gezien. Het argument ‘het land is leeg; wij kunnen er ons net zo goed vestigen’ heeft zionistische kolonisatie van Palestina sinds het midden van de negentiende eeuw gekenmerkt. Bovendien, als men goed kijkt, ziet men dat er in E1  al aanzienlijke infrastructurele werken zijn uitgevoerd: een groot deel van een heuveltop is opgeblazen om er weg over te kunnen aanleggen.

Op de heuveltop is een groot politiebureau gebouwd, voorzien van beveiligingscamera’s en zoeklichten, van waaruit rondom gelegen rotsachtige heuvels in de gaten gehouden kunnen worden.

Misschien wel het meest surrealistisch zijn de hoogspanningsmasten die de woestijn in marcheren – op dit moment naar nergens.

Het is moeilijk te achterhalen hoeveel infrastructuur er inmiddels al is aangelegd. De plannen daaromtrent zijn nooit openbaar gemaakt. Maar men mag aannemen dat de omvang van wat er bovengronds is gebeurd, een indicatie vormt voor wat er nog meer in de maak is – en dit alles niet ten behoeve van de bedoeïenen die er hun schapen laten grazen. Wat de aanleg van de infrastructuur betreft lijkt het erop dat het moeilijkste deel inmiddels achter de rug is. Wat nog ontbreekt, zijn de huizen. E1 is daarmee een joodse nederzetting in de wachtkamer.

bron: Open Democracy (Groot-Brittannië), 14 februari 2013

Wendy Pullan is directeur van het Martin Center for Architecture and Urban Studies van de University of Cambridge

vertaling en bewerking: Koen Bos

uit: Soemoed – jaargang 43, nummer 3-4 – mei-augustus 2015 (pp. 24-26)