De families van Khan Al-Ahmar staan op het recht om te blijven en hun dorp te verdedigen

Khan Al-Ahmar is gelegen in het zogeheten E1-gebied dat de joodse nederzetting Ma'ale Adumim scheidt van geannexeerd Oost-Jeruzalem; het volbouwen van E-1 betekent het tot stand brengen van een fysieke scheiding van het noordelijke deel van de Westelijke Jordaanoever van het zuidelijke deel.

Jamal Jahaleen, 7 september 2018 / Mondoweiss

Israeli policemen scuffle with Palestinian demonstrators in the Bedouin village of al-Khan al-Ahmar east of Jerusalem in the occupied West Bank on July 4, 2018. Residents and activists voiced concern today that Israel is set to raze a Bedouin village in a strategic part of the occupied West Bank ignoring international calls for a reprieve. Activists said the Israeli military issued a warrant to the 173 residents of Khan al-Ahmar on Tuesday authorising it to seize access roads to the village. Photo by Shadi Hatem

Op een nacht eind 1986, toen de harde decemberkou over de heuvels van Jeruzalem neerdaalde, besloot mijn moeder na negen lange maanden tobben om mij ter wereld te brengen. Ik was een deugniet, vertelde ze me later, en vanaf het moment dat ik in de wachtende handen van de verpleegsters gleed, begon ik mijn gevecht met het leven. Als ik dat eerder had geweten, had ik ervoor gekozen om kalm in de schoot van mijn moeder te blijven.

Het dorp Khan Al-Ahmar, ten oosten van Jeruzalem, was het eerste land dat mijn voeten raakten. Ik rende achter mijn moeder aan terwijl ze de twee kilometer naar de nabijgelegen bron liep om water te verzamelen of bleef in mijn oma’s huis zitten kijken naar haar weefdoeken en de tentovertrekken van lamswol en geitenleer. Soms bleef ik in het huis van onze buren als er niemand thuis was om naar om mij te kijken.

Mijn vader was druk met het verzorgen van de kudde met mijn grootvader. We hadden maar een paar schapen en geiten om in ons levensonderhoud te voorzien; mijn grootvader verloor zijn gewassen en de helft van zijn rijkdom in de oorlog van 1948 toen hij uit Beersheba in het zuiden van Palestina werd verdreven. Hij was niet de enige die alles achter moest laten; mijn hele familie deelde in hetzelfde lot. Sommigen vestigden zich in Khan Al-Ahmar en anderen vluchtten naar Jordanië en gingen daar wonen. De ogen van mijn grootmoeder vertelden in stilte van de strijd die ze had gezien en het verlangen naar Beersheba. Onrecht en tirannie werd ons deel, als een 2000 jaar oud Romeins beeld dat bewaard moet worden.

Nadat mijn grootvader door ontheemding en de pijn van de bezetting overleed, liet hij ons de strijd voortzetten. Velen van de Jahalin-stam leven al vele jaren in Khan Al-Ahmar en ze wonen daar tot op de dag van vandaag zonder de meest basale voorzieningen: geen elektriciteit, geen water, zonder onderwijs, gezondheidszorg of diensten, zonder iets. De beste manier om dit leven te beschrijven, is dat Khan Al-Ahmar de eenentwintigste eeuw is ingegaan alsof het de eerste eeuw voor Christus was. Toch is het dorp standvastig en sterk gebleven tegenover de bezetting en de vele kolonisten en het zal blijven weigeren op te geven of te bezwijken voor een volgende Nakba.

Toen ik zes jaar werd, sloot ik me aan in de rij van mijn jonge familieleden, aan de kant van de hoofdstraat die Jeruzalem met Jericho verbond. Daar wachtten we op vervoer om naar Jericho naar school te gaan, 30 kilometer van Khan Al-Ahmar. Ik herinner me nog goed de vrachtwagens, beladen met sinaasappels, die om zes uur ’s ochtends op weg waren van Gaza naar Jordanie, die altijd stopten om een ​​paar passagiers mee te nemen. Ik herinner me ook de auto met de krant, elke dag op weg naar Jericho. Dat waren moeilijke tijden; de winter was voor ons scholieren zwaar en ook de zomerse hitte verleidde ons vaak om de school te verlaten en te denken over een baan die zou bijdragen aan de huishoudelijke uitgaven. De meeste scholieren maakten zelfs de basisschool niet af vanwege deze moeilijkheden.

In 2009 besloten de burgers van Khan Al-Ahmar om met de hulp van Italiaanse en lokale organisaties een ​​school te bouwen. Bescheiden van opzet, met klaslokalen van autobanden en planken van hout. Er werd gehoopt dat deze school een veilige, toegankelijke, educatieve omgeving zou bieden.Maar toen de school haar deuren opende en de 200 leerlingen nog maar net aan hun tafeltje zaten, gaven de woestijnvossen en struikrovers opdracht de school te slopen. Alsof dat nog niet genoeg was, gaven ze ook opdracht om gewone huizen, onderkomens voor de dieren en de huizen van jonge stellen te slopen. Ze gaven zelfs bevel om de moskee te slopen die heel eenvoudig van houten planken was opgetrokken en met geitenleer bedekt om de zon te blokkeren.

In de negen jaar vanaf de dag dat de school werd gebouwd in Khan Al-Ahmar, heeft het dorp tot op de dag van vandaag een groot aantal vormen van economische, sociale en psychologische intimidatie doorstaan. Het leger zorgde ervoor dat geen enkel soort bouwmateriaal Khan Al-Ahmar binnenkwam. Het ontzegde ons de toegang tot energiebronnen zoals zonnepanelen en elektrische generatoren, evenals medische apparatuur. Kortom alles wat de overlevingskansen van Khan Al-Ahmar kon verbeteren, werd verboden.  Maar dat was niet alles.

Grote delen van het woestijnachtige landschap rond Khan Al-Ahmar werden afgesloten om begrazing te voorkomen, waterputten werden vernietigd en de woestijn werd tot militaire zone verklaard. Het leger sloot dieren, mensen en land af van de buitenwereld en ik besefte niet dat het allemaal te maken had met het bouwen van een kleine school. Ik stel me voor dat als iemand me naar de reden voor deze blokkade zou vragen en ik zou antwoorden dat het te wijten was aan het bouwen van een school, dat deze persoon zijn hoofd zou schudden en zou overstappen op een ander onderwerp. Hij zou denken dat ik loog, want welke macht ter wereld vernietigt een school? Hij zou denken dat we een bedreiging waren voor de nationale veiligheid van Israel of plannen maakten om een ​​kernreactor te bouwen. In werkelijkheid zijn onze dromen in duigen gevallen, onze hoop is verloren gegaan in de oranje vrachtwagens en onze talenten zijn kapot geslagen op de klippen van de belegering en de poorten van de onderdrukking.

De ogen van de jagers dwalen nooit weg van de prooi en toch dromen we ervan om op een dag gerechtigheid te vinden.

Ondanks negen jaar juridische strijd om het recht op het bestaan ​​van onze school te verdedigen, om de huizen van onze voorouders te beschermen, de huizen van onze voorgangers, de schuilplaatsen van onze kuddes en onze moskee met geitenleer. Ondanks onze inspanningen om de toekomst van onze kinderen te beschermen, onze bedoeïenen en identiteit, de structuur van onze samenleving en onze familiale connecties. Ondanks onze pogingen om op de plek te blijven waar we zijn grootgebracht met onze jeugdherinneringen aan voorouders en familie. Alle weerstand, al het geduld en al het harde werk is voor niets geweest.

In 2018 sloeg de hamer van de rechter in het Israelische Hooggerechtshof keihard neer op de dromen van de rechtmatige eigenaren, waarbij elk spoor van menselijkheid werd vernietigd. Gebaseerd op van alles behalve gerechtigheid. Het Hof nam het besluit om Khan Al-Ahmar te ontruimen en te slopen en ik vroeg mezelf af: ‘Hoe kan er hoop zijn? Hoe kan de tarwekorrel over de kip klagen?’

Nadat de sloopopdracht was uitgevaardigd, haastten de wolven van de bezetting zich om de wegen tussen de huizen af te snijden en alle paden van het dorp af te sluiten. Ze kondigden aan dat Khan Al-Ahmar nu gesloten militair gebied was. De volgende dag kwamen bulldozers naar Khan Al-Ahmar om het dorp te slopen en alles wat de burgers konden doen was om met blote handen ​tegenover de criminele monsters en hun zware machines te staan. Jongeren, kinderen en vrouwen, allen werden die dag aangevallen. Dertig mensen raakten gewond en zes werden gearresteerd, onder wie een 19-jarig meisje dat werd aangevallen door perscamera’s. Haar hijab werd haar afgerukt, haar waardigheid werd geschonden.

Na het gevecht stelde de criminele overheid de avondklok in in het dorp en hield iedereen tegen om er te komen of weg te gaan, onder wie journalisten en medisch personeel. Er volgde een verstikkende belegering. Na die vervloekte dag en na nog een petitie van de inwoners van Khan Al-Ahmar aan het ‘Hooggerechtshof van de Kippen’  werd een tijdelijk uitstel   van de sloop toegestaan ​​- totdat de bezetting een nieuw smoesje kon bedenken om de bewoners te verdrijven.

Verwacht wordt dat na vele rechtszittingen, nadat de mensen van Khan Al-Ahmar alle aanbiedingen van de bezettende macht hebben afgewezen en blijven staan op hun recht om te blijven en hun dorp te verdedigen, de bulldozers de sluimerende droom van overleven, van het bewaren van het erfgoed en het behoud van de eigen identiteit komen verpletteren.

Vertaald door Lama Khouri

Noot van de redactie: na een lange en moedige strijd verloren de mensen van Khan Al-Ahmar hun strijd toen het Hooggerechtshof in Israel verklaarde dat de sloop kan doorgaan

Jamal Jaheleen is een 30-jarige Palestijnse schrijver en dichter. Jamal woont samen met zijn vrouw, Khawlah, in het dorp Khan Al-Ahmar.

https://mondoweiss.net/2018/09/families-insist-village/

Op 11 september is bij het Internationaal Strafhof in Den Haag een aanklacht ingediend over de door Israel begane oorlogsmisdaden op de bezette Westelijke Jordaanoever, in het bijzonder de voorgenomen verwoesting van Khan al Ahmar. Zie hier.

BBC’s verslaggever Jeremy Bowen interviewt enkele bewoners van Khan al Ahmar , 18 september

Zie ook The Last Sheperds of the Jordan Valley, Al Jazeera, 2012