Waarom ik in Gaza mee demonstreer

Fadi Abu Shammalah

KHAN YOUNIS, Gazastrook – Vroeg in de ochtend van 30 maart zag mijn 7-jarige zoon Ali dat ik mij klaar maakte om het huis te verlaten. Dat was ongebruikelijk voor onze vrijdagroutine.

‘Waar ga je heen, papa?’

‘Naar de grens. Om mee te doen aan de Grote Mars van de Terugkeer’.

Dit is de naam die is gegeven aan het 45-dagen durende protest langs het hek dat de Strook van Gaza scheidt van Israel. Het begon op 30 maart – Yom al-Ard (Dag van het Land) waarop de moord in 1976 wordt herdacht op zes Palestijnen in Israel, die protesteerden tegen de confiscatie van hun grond – en eindigt op 15 mei – de 70e herdenking van de Nakba, (Catastrofe), die verwijst naar massale verdrijving van Palestijnen tijdens de oorlog van 1948 rondom de stichting van de Staat Israel.

‘Mag ik mee?’ smeekte Ali. Ik zei hem dat het te gevaarlijk was. Als men op de waarschuwingen van Israelische militairen mocht afgaan, was het risico groot dat ongewapende demonstranten door Israelische scherpschutters zouden worden neergeschoten. ‘Waarom ga je er dan zelf heen als je de kans loopt gedood te worden?,’ drong Ali aan.

Zijn vraag bleef in mijn hoofd doorklinken toen ik mij naar het tentenkamp nabij het hek in Oost-Khan Younis begaf, de stad in het zuiden van Gaza waar ik woon. Hij is in mijn hoofd blijven doorklinken, de daaropvolgende vrijdag toen ik opnieuw aan de Mars-activiteiten deelnam – en dat is daarna niet anders geweest.

Ik koester mijn leven. Ik ben de vader van drie lieve kinderen – Ali heeft een 4-jarige broer Karam en een pasgeboren broertje Adam – en ik ben getrouwd met een vrouw die ik als mijn soulmate beschouw. Mijn angsten zijn inmiddels bevestigd: sinds de Mars van start is gegaan, zijn er 39 demonstranten gedood – velen door het vuur van scherpschutters –onder wie drie kinderen. Israel weigert de lijken van twee van hen aan hun families over te dragen.

Kortom: waarom ben ik bereid mijn leven te wagen door aan de Grote Mars van de Terugkeer deel te nemen?

Op die vraag van Ali heb ik meerdere antwoorden. Ik geloof honderd procent in de tactiek van door burgers geleide, geweldloze massa-actie. Ik ben ook geïnspireerd bij het zien dat deze actie de territoriaal opgedeelde en politiek verdeelde bevolking van de Strook van Gaza heeft verenigd. Bovendien heeft de Mars op een effectieve manier de aandacht van de wereld gevestigd op de ondraaglijke leefomstandigheden van inwoners van Gaza: vier uur elektriciteit per dag, de vernedering dat ons territorium en onze economie en grenzen worden belegerd, de angst dat onze woonhuizen worden beschoten.

Maar de belangrijkste reden waarom ik deelneem, is dat ik nu in staat ben om Ali, Karam en Adam in de ogen te kijken en hun te vertellen: ‘Je vader nam deel aan deze historische, geweldloze strijd voor ons vaderland.’

De berichtgeving in de westerse media over de Grote Mars van de Terugkeer richtte zich vooral op jonge mensen die stenen gooiden en autobanden in brand staken. Het Israelische leger zet de actie neer als een gewelddadige provocatie door HAMAS – een bewering die veel analisten blindelings hebben overgenomen. Dat beeld is in directe tegenspraak met mijn eigen ervaringen ter plekke.

Vertegenwoordigers van de Algemene Unie van Culturele Centra – een niet-gouvernementele organisatie waarvan ik directeur ben – namen deel aan voorbereidende vergaderingen voor de mars, waarbij stemmen uit alle geledingen van de civiele en politieke samenleving in Gaza naar voren kwamen. Langs het hek heb ik geen enkele HAMAS-vlag of FATAH-spandoek gezien, noch een poster van het Volksfront voor de bevrijding van Palestina (PFLP), zoals bij vrijwel elke andere protestactie waaraan ik eerder heb deelgenomen. Hier zagen wij maar één vlag wapperen – de Palestijnse vlag.

Ook leden van HAMAS namen aan de Mars deel, eenvoudigweg omdat zij deel zijn van de Palestijnse gemeenschap. Die participatie duidt er wellicht op dat HAMAS haar voorkeur voor een militaire oplossing voorzichtig opschuift in de richting van het omarmen van geweldloos burgerprotest. Maar de Grote Mars van de Terugkeer is geen HAMAS-actie. Deze is van ons allemaal.

Onze actie was zoveel meer dan het gooien van stenen door jonge mannen van stenen naar Israelische soldaten die honderden meters verderop opgesteld stonden. Het verzet in de tentenkampen uitte zich op een creatieve en mooie wijze. Ik danste met andere jonge mannen de dabke, de Palestijnse nationale dans, proefde van de traditionele culinaire specialiteiten die bereid werden zoals msakhan (gebraden kip met uien, sumak en pijnboompitten) en maftool (een couscousgerecht). Ik zong traditionele liederen met mededemonstranten en zat bij ouderen die verhalen ophaalden over het leven in hun geboortedorp van vóór 1948. Er werden vliegers opgelaten en tientallen vlaggen aan masten in de grond gestoken zodat zij aan de andere kant van het hek duidelijk zichtbaar waren.

Dit alles vond plaats terwijl de schoten klonken van Israelische scherpschutters die op ongeveer 300 meter afstand van ons in linie lagen. Wij waren gespannen, wij waren bang – en inderdaad, ik ben in de nabijheid van mensen geweest die werden neergeschoten of door traangas werden overmand – maar desondanks waren wij blij. De zang, het dansen, de verhalen, de vlaggen, de vliegers en het eten zijn méér dan symbolen van ons cultureel erfgoed.

Zij tonen – duidelijk, luid, levendig en vredig – dat wij bestaan, dat wij blijven, dat wij mensen zijn die waardigheid verdienen en dat wij het recht hebben om naar onze woonoorden terug te keren. Ik verlang ernaar te slapen onder de olijfbomen van Bayt Daras, mijn geboortedorp. Ik wil Ali, Karam en Adam de moskee laten zien waar mijn grootvader zijn gebeden deed. Ik wil vreedzaam leven in mijn huis van origine, met al mijn buren – moslims, christenen, joden of atheïsten.

De mensen in Gaza hebben de ene tragedie na de andere meegemaakt: golven van massale ontheemding, leven in smerige vluchtelingenkampen, een gevangengezette economie, beperkte toegang tot viswateren, een wurgend beleg en drie oorlogen in vijf jaar tijd [2008-2009, 2012 en 2014]. Israel ging ervan uit dat als de generatie die de Nakba heeft meegemaakt, zou sterven, dat de jeugd dan de droom om terug te keren zou opgeven.

Ik geloof dat dit gedeeltelijk de reden is waarom Israel Gaza op de rand van een humanitaire ineenstorting houdt: wanneer onze levens worden gereduceerd tot een dagelijkse strijd om voedsel, water, medicijnen en elektriciteit, zijn wij niet in staat om na te denken over grotere ambities. De Mars bewijst dat mijn generatie niet van plan is de dromen van onze mensen te laten varen.

De Grote Mars van de Terugkeer heeft mijn optimisme aangewakkerd. Maar ik ben ook realistisch. De Mars alleen zal geen eind aan het beleg en aan de bezetting maken, aan de enorme machtsongelijkheid tussen Israel en de Palestijnen, noch de gemaakte historische fouten rechtzetten. Het werk gaat door, totdat iedereen in de regio gelijke rechten kan delen. Maar ik kan niet meer geïnspireerd of trots op mijn mensen zijn, dan ons nu verenigd zien onder één vlag met bijna unanieme acceptatie van vreedzame strijdmethoden om onze rechten op te eisen en op onze menselijkheid te wijzen.

Elke vrijdag tot en met 15 mei zal ik naar het tentenkamp gaan. Ik zal zo een boodschap aan de internationale gemeenschap overbrengen over de verwoestende omstandigheden waarin ik gedwongen word mijn zoons groot te brengen. Ik zal gaan zodat ik een blik kan werpen op ons land en op onze bomen aan de andere kant van het gemilitariseerde hek,  terwijl Israelische soldaten mij door het vizier van hun wapen observeren.

Als Ali mij vraagt ​​waarom ik mij ondanks het gevaar bij de Grote Mars van de Terugkeer aansluit, zal ik hem dit vertellen: ik hou van het leven. Maar meer dan dat, ik hou van jullie, Karam en Adam. Wanneer het riskeren van mijn leven betekent dat jij en je broers een kans krijgen om te gedijen, een toekomst in waardigheid te hebben, met je buren in vrede te leven in een vrij land – dan is dat het nemen van een risico waard.

Fadi Abu Shammalah is directeur van de Algemene Unie van Culturele Centra in Gaza en co-producent van de documentaire Naila and the Uprising.

uit: The New York Times van 27 april 2018