Met de Grote Mars van de Terugkeer eisen de Palestijnen een leven in waardigheid

Ahmad Abu Rtemah

De Nakba is niet slechts iets uit het verleden, het is een permanente realiteit. Wij allen kunnen accepteren dat wij uiteindelijk zullen sterven. De tragedie in Gaza is dat wij daar geen kans krijgen te leven.

De afgelopen week hebben tienduizenden demonstranten Gaza nieuw leven ingeblazen – een gebied dat langzaam wegkwijnt. Wij zijn samengekomen en hebben samen de tekst gezongen van een lied dat ons verlangen uitdrukt – ‘Wij zullen terugkeren’ – en hebben alles wat wij nog te bieden hebben, samengebracht, in een poging om ons recht op leven in vrijheid en rechtvaardigheid te herwinnen. Ondanks het vreedzame karakter van onze mars zijn wij door Israelische soldaten getrakteerd  op wolken traangas en scherpe munitie. Helaas is dit niets nieuws voor de Palestijnen in Gaza die vele oorlogen en een gewelddadige belegering en blokkade hebben moeten doormaken.

In de Strook van Gaza wonen bijna 1,9 miljoen mensen, van wie 1,2 miljoen vluchteling is. Die vluchtelingen zijn 70 jaar geleden rondom de oprichting van de Staat Israel, elders uit hun huizen en van hun grond verdreven. Palestijnen duiden deze gebeurtenis aan met Al-Nakba (de Catastrofe).

Sinds het begin van het beleg en de blokkade, bijna 11 jaar geleden, is voor de inwoners van Gaza de dagelijkse opgave om simpelweg te overleven een uitdaging gebleken. Wakker worden en toegang hebben tot schoon drinkwater en tot elektriciteit is een luxe geworden. De blokkade is bijzonder moeilijk voor jonge mensen die door werkloosheid getroffen worden. Deze ligt momenteel op 58 procent. Wat het allemaal zo ernstig maakt, is dat dit geheel en al het gevolg is van Israelisch beleid. Dat beleid kan omgegooid worden. Het harde en moeilijke bestaan hoeft voor Gaza niet de realiteit te zijn.

Vissers kunnen niet verder dan zes zeemijl uit de kust gaan, waardoor het voor hen een uitdaging is geworden om genoeg vis te vangen om hun families te kunnen onderhouden. Na Israels oorlogen in Gaza – in 2008-2009 en vervolgens opnieuw in 2012 en in 2014 – en alle moordpartijen die tussentijds hebben plaatsgevonden, is de mensen hier niet de kans geboden om de zaken opnieuw op te bouwen, al was het alleen al omdat Israel de invoer van bouwmaterialen volledig controleert. De toestand in de ziekenhuizen is zorgwekkend. Bij hoge uitzondering wordt patiënten de gelegenheid geboden om buiten Gaza behandeld te worden. Dit alles nog afgezien van de permanente duisternis waarin wij leven, vanwege een ernstig tekort aan elektriciteit. En dan is er het ernstige tekort aan schoon drinkwater. Het is alsof onze verdrijving niet genoeg is geweest. Het is alsof de herinnering aan Palestijnse vluchtelingen als zodanig moet worden teruggedrongen en uitgewist.

Ik ben geboren in het Rafah-vluchtelingenkamp in Gaza. Mijn ouders komen uit de stad Ramleh, in wat nu Israel is. Zoals de meeste Palestijnse vluchtelingen hoorde ik de verhalen van mijn oudere familieleden hoe zij tijdens de Nakba met geweld uit hun huizen zijn verdreven. Hoeveel decennia er sindsdien ook zijn verstreken, net als honderdduizenden anderen hebben zij nooit de gruwelen vergeten die ze tijdens hun onteigening hebben gezien en al het geweld en de pijn die daarmee gepaard zijn gegaan. Ik heb het huis van mijn familie in Ramleh nooit gezien en mijn kinderen hebben nooit iets anders gezien dan Gaza en de belegering. Mijn oudste van slechts zeven jaar en mijn jongste van twee jaar, kennen geen andere werkelijkheid dan het geluid van bommen, de duisternis van de nacht door het ontbreken van elektriciteit en het ontbreken van de mogelijkheid om vrij te reizen – ofwel het feit dat deze zaken niet normaal zijn. Niets in het leven in Gaza is normaal. De Nakba is niet slechts iets uit het verleden, het is een permanente realiteit. Wij allen kunnen accepteren dat wij uiteindelijk zullen sterven. De tragedie in Gaza is dat wij daar geen kans krijgen te leven.

Ondanks deze harde werkelijkheid, volharden wij. De afgelopen twee vrijdagen stelden wij ons op tegenover de krachten die ons zeggen te capituleren en in stilte te sterven en wij besloten om te marcheren vóór het leven. Het is een protest van een volk dat niets liever wil dan leven in waardigheid. In 2011 demonstreerden Palestijnen langs de grenzen van Syrië, Libanon, Jordanië, Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Sommige demonstranten zijn toen door Israel gedood, anderen wisten de grens over te steken om vervolgens door Israelische soldaten gearresteerd te worden. Eerder, in 1976, protesteerden Palestijnen tegen de onteigening van hun grond door Israel in wat later bekend werd als Yom al-Ard (Dag van het Land). Zes Palestijnen zijn bij die gelegenheid door Israel gedood.

Nu, 42 jaar later, grijpt Israel opnieuw naar dodelijk geweld om te voorkomen dat vluchtelingen terugkeren. Sinds afgelopen vrijdag zijn daarbij tenminste 25 Palestijnen in Gaza gedood. Deze mensen durfden te dromen buiten de steegjes van de vluchtelingenkampen. Zij hadden een visioen van het huis dat zij nooit hebben kunnen zien.

Ik heb mij zorgen gemaakt over onze veiligheid, toen wij met duizenden kwamen naar wat Israel als een ‘no-go zone’ beschouwt. Ik heb nagedacht over de gevolgen. Toen ik met mijn gezin in de buurt van het Plein van de Terugkeer in Oost-Khan Younis stond, werden wij allen, inclusief mijn kinderen, door traangas overweldigd. Ik vond het pijnlijk om te zien dat de onschuld van de jeugd door zo’n traumatiserende ervaring werd beschadigd. Wat veel mensen echter niet willen inzien, is dat wij nooit echt veilig zijn in Gaza of dat wij daar echt kunnen leven – of wij nu thuis zitten of protesteren in de velden. Het is alsof ons hele bestaan en de droom om ooit naar huis terug te kunnen keren en in waardigheid te leven, in het donker verborgen moeten blijven.

Dit jaar echter, na de erkenning door Donald Trump van Jeruzalem als de hoofdstad van de Staat Israel en de mogelijkheid – wat hij noemt – ‘de deal van de eeuw’ te maken, hebben de Palestijnen een acute dreiging gevoeld voor het recht van vluchtelingen op terugkeer, zoals dat is verankerd in VN-Resolutie 194 van december 1948. Het is een collectieve zorg dat onze rechten als vluchteling ernstig in gevaar komen en wij moeten ons hiertegen verzetten op een innovatieve, verenigde, revolutionaire manier – buiten de parameters van onderhandelingen en factiestrijd – om druk uit te oefenen op Israel en de wereld om onze rechten geïmplementeerd te krijgen.

De afgelopen 70 jaar bevindt Israel zich in een permanente staat van verdrijving en vernedering van Palestijnen. Wij zagen het gebeuren in 1948 en opnieuw in 1967, en in onze dagen zijn wij getuige van voortgaande uitbreiding van de joodse nederzettingen. Terwijl Israel Palestijnen verdrijft, brengt het nieuwe immigranten uit alle delen van de wereld binnen en vestigt hen op grond die van Palestijnen is gestolen – flagrant in strijd met het internationaal recht. Israel voelt zich daarin aangemoedigd door het ontbreken van druk van de internationale gemeenschap en vanwege de steun van de regering-Trump. Dat leidt ertoe dat de joodse nederzettingen meedogenloos blijven doorgroeien. Israel wil de wereld doen geloven dat Palestijnen vrijwillig hun huizen hebben verlaten en hebben gekozen voor een leven van degradatie, zonder fundamentele mensenrechten, en dat wij het allemaal zelf over ons hebben afgeroepen.

Vandaag proberen Palestijnen in Gaza de ketenen te verbreken die Israel ons heeft aangelegd. Wij zijn ongewapende demonstranten die met vreedzaam protest zwaarbewapende soldaten confronteren. Dat maakt het voor Israel moeilijk om ons te belasteren en het eigen meedogenloze geweld te rechtvaardigen. De wereld wordt geconfronteerd met de realiteit dat onschuldige burgers worden gedood, alleen omdat zij gebruik maken van hun recht om vreedzaam te protesteren. De excuses die Israel gebruikt om zijn aanpak van de Palestijnen te rechtvaardigen, verliezen langzaam hun effectiviteit, omdat mensen overal in de wereld zich steeds meer realiseren dat het ware gezicht van Israel dat van een gewelddadig apartheidsregime is. Ondanks het gecalculeerde geweld en het tot doelwit maken van ongewapende demonstranten door Israel, verklaren de Palestijnen in Gaza met hun Grote Mars van de Terugkeer luid en duidelijk dat wij er nog steeds zijn.

Voor Israel is onze identiteit onze misdaad. Omgekeerd vieren wij precies die identiteit die Israel probeert te criminaliseren. Mensen uit alle geledingen van de samenleving sluiten zich bij de mars aan. Kunstenaars dragen bij met de traditionele dabke-dans, intellectuelen organiseren leeskringen, entertainers kleden zich als clowns en spelen met kinderen. Wat daarbij het meest opvalt, zijn de jongeren: zij leven en spelen, hun lach is het krachtigste protest van allemaal. De VN heeft er eerder voor gewaarschuwd dat de Strook van Gaza binnen enkele jaren voor mensen onleefbaar zal zijn. Omdat wij ons verzetten tegen het lot dat Israel voor ons in gedachte heeft, vechten wij vreedzaam terug met ons lichaam en onze liefde voor het leven. Daarbij doen wij een beroep op rechtvaardigheid in de wereld.

uit: The Nation (Washington) van 6 april 2018

Ahmad Abu Rtemah is een onafhankelijke publicist en social media-activist uit Gaza en een van de organisatoren van de Grote Mars van de Terugkeer

vertaling: Koen Bos