30 maart – Dag van het Land     

Dag van het Land (Yom al-Ard) is de jaarlijkse herdenking – op 30 maart –van een gebeurtenis die inmiddels 42 jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Wat is er toen precies gebeurd, waar vonden de gebeurtenissen plaats, wat waren de gevolgen ervan en waarom is het belangrijk om de Dag van het Land te blijven herdenken?

Terug in de geschiedenis: op 30 maart 1976 kwamen Palestijnen in Palestina ’48 (Israel) massaal in opstand. Dat was niet voor het eerst, maar het was beter georganiseerd dan eerder het geval was geweest.

De reden was de aankondiging door de Staat Israel om over te gaan tot onteigening van grote stukken Palestijnse grond in Al-Jalil (Galilea) in het noorden van Palestina ’48.

Al-Jalil was een van de delen van Palestina ’48 waar een grote concentratie Palestijnen woonde – degenen die tijdens de Nakba van 1948 niet door joodse strijdgroepen zijn verdreven of zijn weggevlucht, plus hun nakomelingen.

In die jaren vormden Palestijnen driekwart van de bewoners van Al-Jalil – de overige bewoners waren joodse kolonisten.

De demografische verhoudingen in Al-Jalil waren een doorn in het oog van de Staat Israel.

Om daar wat aan te doen, kondigde Israel in het voorjaar van 1976 plannen aan om het gebied te gaan ‘verjoodsen’, door er meer joodse kolonisten te vestigen (om publicitaire redenen werd de naam van het plan – ‘De Verjoodsing van Galilea’ – hernoemd tot ‘De Ontwikkeling van Galilea’).

Toen de Palestijnen van de plannen hoorden, besloten zij op 30 maart uit protest een algemene staking uit te roepen.

De Israelische autoriteiten waarschuwden hen dat zij daartegen hard zouden optreden. Extra militairen zijn naar het gebied gestuurd.

Op de bewuste 30e maart 1976 is tegen vreedzame protestmarsen in onder meer Sakhnin, Arabeh en Deir Hanna grof Israelisch geweld ingezet.

Daarbij kwamen in totaal zes Palestijnen om het leven – zowel demonstranten als omstanders: een in Arabeh, drie in Sakhnin, een uit Kufr Kana en een uit het vluchtelingenkamp Nur Shams. Vele anderen raakten gewond of werden gearresteerd.

Algemeen wordt deze bloedige confrontatie – de Dag van het Land, 30 maart 1976 – gezien als een keerpunt: het was het eerste massale, goed georganiseerde protest van Palestijnen tegen de voortgaande diefstal van grond en de voortgaande kolonisatie van hun leefomgeving.

Na het horen van berichten over doden, braken er in de sinds 1967 bezette Palestijnse gebieden onlusten uit.

Sindsdien – zoals gezegd inmiddels al 42 jaar – wordt de Dag van het Land door Palestijnen – waar zij zich ook bevinden – herdacht.

Onverbrekelijk verbonden met de diefstal van grond, is de verdrijving van zijn Palestijnse bewoners. Zo is het vanaf 1948 in Palestina ’48 steeds gegaan.

Na 1948 is in Palestina ’48 rond 93 procent van de Palestijnse grond geconfisqueerd.

Het laatste hoofdstuk in dit drama voltrekt zich momenteel in de Naqab (Negev) (en in de Jordaanvallei), waar Palestijnse bedoeïenen van hun grond worden verdreven.

Zo is het ook in de sinds 1967 bezette en gekoloniseerde Palestijnse gebieden gegaan.

De eerste stap die in 1967 door Israel is gezet, was de de facto annexatie van Oost-Jeruzalem met verlegde stadsgrenzen, waardoor het grondgebied van dit stadsdeel werd verdubbeld.

In de daaropvolgende 50 jaar is in de bezette Palestijnse gebieden landonteigening aan de orde van de dag geweest – thans dramatisch in de Jordaanvallei, maar ook in Oost-Jeruzalem dat door een keten van joodse nederzettingen is omsingeld.

Rechten van Palestijnen worden daarbij flagrant en structureel geschonden

In het geval van de sinds 1967 gekoloniseerde gebieden gaat het bovendien om schending van het internationaal recht – te weten om schending van de Vierde Conventie van Genève – een oorlogsmisdaad.

De wereld staat erbij en kijkt ernaar.

Het streven van zionistische koloniale project in Palestina is er van meet af aan op gericht geweest om zoveel mogelijk grond in joodse handen te krijgen.

Onverbrekelijk daarmee verbonden is de verdrijving van de bewoners van die grond – de Palestijnen.

De strijd om de grond tussen Palestijnen en joodse kolonisten in zowel Palestina ’48 als in de sinds 1967 gekoloniseerde Palestijnse gebieden onderstreept dat Palestijnen een gezamenlijke strijd te voeren hebben om het behoud van de grond.

Daarbij is het van groot belang om de strijd tegen het zionistische koloniale project in Palestina onderling af te stemmen en waar mogelijk samen te werken.

Vooral sinds het van start gaan van het Oslo-proces in 1993 zijn Palestijnen tegen elkaar uitgespeeld – en hebben zij zich ook tegen elkaar laten uitspelen – en zijn zij tegen elkaar opgezet – zie het slepende conflict tussen FATAH en HAMAS.

De grote weerklank die de jaarlijkse herdenking van de Dag van het Land bij alle Palestijnen vindt – in Palestina ’48, in de sinds 1967 gekoloniseerde Palestijnse gebieden en onder de Palestijnse vluchtelingen – maakt desondanks duidelijk, dat op het niveau van gewone Palestijnen de gevoelens van lotsverbondenheid onverminderd groot zijn.

Dat is van groot belang tegen de achtergrond van het failliet van het Oslo-proces, de steeds grotere druk waaraan de Palestijnen in Palestina ’48 komen bloot te staan en de situatie waarin veel Palestijnse vluchtelingen zijn komen te verkeren – het meest dramatisch in Syrië.

Stap één is het bundelen van de krachten.

Het tot stand brengen van een staat – gebaseerd op gelijkheid en gelijkberechtiging van al zijn bewoners – is daarbij de politieke agenda.

Beoogd doel is rechtsherstel van alle Palestijnen.