Facebook werkt met de Israelische regering samen om te bepalen wat gecensureerd moet worden

MEE-Mohamed al Hajjar, march 2018

Glenn Greenwald

September 2016 is er een grote censuurcontroverse losbarsten, nadat Facebook was begonnen met het verwijderen van alle berichten met de iconische foto van het ‘Vietnamese napalm-meisje’, omdat bedrijf het verbod op ‘het afbeelden van de naaktheid van kinderen’ zou schenden.

Facebook schrapte zelfs een bericht van de premier van Noorwegen, die de foto juist plaatste uit protest tegen deze censuurmaatregel. Terwijl de verontwaardiging zich verbreidde, keerde Facebook uiteindelijk op zijn schreden terug – ‘de geschiedenis en het wereldwijde belang van dit beeld bij het documenteren van een bepaald moment in de tijd’ erkennend –maar de kwestie toont het gevaar aan wanneer private technologiebedrijven als Facebook, Twitter en Google gaan bepalen wat wij wel en niet kunnen onder ogen kunnen krijgen.

Na bovengenoemde censuurmaatregel afgehouden te hebben, lijkt Facebook zich een nieuwe op de hals te halen. Op 12 september meldde Associated Press (AP) vanuit Jeruzalem dat ‘de Israelische regering en Facebook hebben afgesproken samen te gaan werken om te bepalen hoe op het sociale media-netwerk opruiing kan worden aangepakt’. Het overleg daarover vindt plaats ‘terwijl de regering werkt aan wettelijke maatregelen op grond waarvan sociale netwerken zullen worden gedwongen om content aan banden te leggen, waarin volgens Israel tot geweld wordt aangezet’. Met andere woorden, Israel staat op het punt Facebook te dwingen inhoud te censureren die door Israelische functionarissen als niet-gepast wordt beschouwd. Daarbij lijkt Facebook er op uit te zijn om het dreigement het hoofd te bieden, door in direct overleg met de Israelische regering te gaan bepalen welke content moet worden gecensureerd.

De gezamenlijke inspanningen op het gebied van censuur door Facebook en Israel zullen uiteraard gericht zijn tegen Arabieren, moslims en Palestijnen, die zich tegen de Israelische bezetting verzetten. Het AP-artikel maakt dat duidelijk: ‘Israel heeft betoogd dat de golf van geweld van de kant van Palestijnen in het afgelopen jaar het gevolg is van opruiing, die grotendeels via sociale-mediasites is verspreid.’ Zoals Alex Kane afgelopen juni in The Intercept meldde, is Israel begonnen met het actief surveilleren van Palestijnen wat betreft de inhoud van hun Facebook-berichten en sommigen van hen te arresteren vanwege duidelijke politieke uitingen. De obsessie van Israel met het beheersen van het gebruik van sociale media door Palestijnen wordt gemotiveerd door de mogelijkheden die deze de tegenstanders van de bezetting bieden om politieke acties te organiseren. Zoals Kane schreef: ‘Een demonstratie tegen de Israelische bezetting kan zo binnen enkele uren worden georganiseerd, terwijl het toezicht op de Palestijnen wordt vereenvoudigd door de grote digitale footprint die zij op hun laptops en mobiele telefoons achterlaten.’

Israel was in het overleg met Facebook vertegenwoordigd door de minister van Justitie Ayelet Shaked – naar alle maatstaven een extremist, die eerder heeft verklaard dat zij niet in een Palestijnse staat gelooft. Shaked heeft ‘wetgeving voorgesteld die sociale netwerken probeert te dwingen content te verwijderen, die door Israel als opruiing wordt aangemerkt’. Onlangs heeft zij laten weten dat Facebook inmiddels ruimschoots voldoet aan de eisen van Israelische censuur: ‘In de afgelopen vier maanden heeft Israel bij Facebook 158 verzoeken ingediend om opruiende content te verwijderen en Facebook heeft die verzoeken in 95 procent van de gevallen geaccepteerd,’ zo zei zij.

Dit alles onderstreept het grote gevaar dat het publieke discours wordt overgenomen, gereguleerd en gecontroleerd door een klein aantal technische giganten die aan niets of niemand verantwoording hoeven af te leggen. Ik veronderstel dat sommige mensen zich troosten met de gedachte dat goedwillende Facebook-managers als Mark Zuckerberg ons allen zullen beschermen tegen ‘haatspraak’ en ‘opruiing’, maar – net als met ‘terrorisme’ – geen van beide termen heeft een vast omlijnde betekenis, is volledig kneedbaar en is sterk onderhevig aan manipulatie voor propagandistische doeleinden. Vertrouw je Facebook – of de Israelische regering – om  te beoordelen wanneer een Palestijns Facebookbericht, gericht tegen de Israelische bezetting en tegen Israelische agressie overgaat in ‘haatspraak’ of ‘opruiing’ die voor censuur in aanmerking komt?

Terwijl de focus hier ligt op het ‘opruiing’ van Palestijnen, is het voor joodse Israeli’s zelf heel gewoon om Facebook te gebruiken voor het aanzetten tot geweld tegen Palestijnen, onder wie joodse kolonisten die tot ‘wraak’ oproepen wanneer er een aanval op een joodse Israeli heeft plaatsgevonden. Zoals The Washington Post onlangs opmerkte, ‘hebben Palestijnen veel problemen ondervonden van de kant van platforms voor sociale media, die aanzetten tot geweld en een Israelisch discours van haat, racisme en een discriminerende opstelling tegenover Palestijnen uitdragen.’

In 2014 gebruikten duizenden joodse Israeli’s Facebook om berichten te plaatsen ‘die pleitten voor moord op Palestijnen’. Toen een Israelische soldaat afgelopen jaar werd gearresteerd voor het neerschieten en met een schot door het hoofd in koelen bloede doden van een gewonde Palestijn, grepen Israelische soldaten naar Facebook om het moorden te prijzen en het geweld te rechtvaardigen, waarbij Israelische mobs zich online verzamelden om zich daarbij aan te sluiten.

De minister van Justitie Shaked, die inmiddels deel uitmaakt van het overheidsteam en Facebook dat bepaalt wat al dan niet moet worden gecensureerd, heeft van Facebook gebruikgemaakt om ontstellend extremistische en gewelddadige retoriek tegen Palestijnen te uiten. Israels premier Benjamin Netanyahoe en topministers van zijn kabinet hebben zich op dit punt evenmin onbetuigd gelaten. Zoals Al-Jazeera America in 2014 het stelde: De haatdragende taal tegen Arabieren [Palestijen] die op Facebook en Twitter momentum heeft gekregen, droop al snel van de straten van Jeruzalem, nadat extremistische [joodse] Israeli’s het geweld hadden opgevoerd en zo chaos veroorzaakten.

Dit geweld kwam op zijn beurt weer online: video’s op YouTube en Facebook laten honderden boze Israelische mobs zien, die rondrennen onder het uitroepen van ‘Dood aan de Arabieren’ en op zoek zijn naar Palestijnen om hen aan te vallen. Voorts een video van een joodse Israeli uit Tel Aviv die een Palestijn in een openbare bus aanvalt en schreeuwt ‘Vuile Arabier, smerige Arabische kindermoordenaars’. En videobeelden van Israelische veiligheidstroepen die buitensporig geweld gebruiken tegen een geboeide Palestijnse-Amerikaanse jongeman, waarbij de vraag zich opwierp wie nu eigenlijk voor de chaos verantwoordelijk was.

Kan iemand zich voorstellen dat Facebook berichten van vooraanstaande joodse Israeli’s verwijdert waarin wordt opgeroepen tot meer geweld of onderdrukking van Palestijnen? Kan iemand zich voorts voorstellen dat Facebook berichten verwijdert van Amerikanen of West-Europeanen die oproepen tot agressieve oorlogen of andere vormen van geweld tegen overwegend islamitische landen, of tegen critici van het Westen? De vraag stellen is deze beantwoorden. Facebook is een particulier bedrijf, met een wettelijke verplichting om winst te maximaliseren, en dus zal het zeer glibberige concepten interpreteren zoals ‘haatzaaien’ en ‘aanzetten tot geweld’ om diegenen te behagen, die de grootste macht hebben. Het is dus ondenkbaar dat Facebook het ooit in zijn hoofd zou halen om berichten te verwijderen die daadwerkelijk geweld bepleiten of daartoe aanzetten.  Facebook wordt geconfronteerd met extreme druk om censuur te plegen op content die door uiteenlopende regeringen niet wordt gewaardeerd.

De Verenigde Staten en Groot-Brittannië hebben gezamenlijk een campagne gelanceerd om bedrijven in Silicon Valley in een kwaad daglicht te stellen als helpers van terroristen of als ISIS-aanhangers. En wel vanwege hun weigering actievere maatregelen te nemen om content te censureren van degenen die door deze regeringen als ‘terroristen’ worden aangemerkt. Vooral Israel stelt zich in deze kwestie bijzonder agressief op door Facebook de schuld voor geweld  te geven, om deze zo te dwingen censuur te plegen. Familieleden van joodse Israeli’s die door Palestijnen zijn gedood, hebben rechtszaken tegen Facebook aangespannen, waarbij wordt beweerd dat het bedrijf deze aanvallen heeft helpen faciliteren, terwijl andere joodse Israeli’s hebben geklaagd dat Facebook in zijn censuurpraktijken bevooroordeeld is ten aanzien van Israel.

Over dit alles heeft The Intercept de volgende vragen aan Facebook (FB) voorgelegd: 1) Heeft FB ooit met Palestijnse leiders gesproken in een poging om berichten te identificeren en te onderdrukken van joodse Israeli’s die tot geweld aanzetten? Is men van plan dit te gaan doen? 2)  Wanneer een joodse Israeli bepleit dat Palestijnen worden aangevallen en/of worden gebombardeerd, zijn dergelijke berichten dan in strijd zijn met de servicevoorwaarden van FB en deze worden verwijderd? Zijn dergelijke berichten ooit verwijderd ? 3)  Welke rol speelt de Israelische regering precies bij het helpen van FB bij het identificeren van content die moet worden verwijderd? 4)  FB zei dat het ‘95 procent van de verzoeken’ van Israelische functionarissen om content te verwijderen, heeft ingewilligd. Welk percentage verzoeken van Palestijnen om content te verwijderen is gehonoreerd? 5)  In geval iemand stelt dat de bezetting van Israel illegaal is en met alle middelen moet worden weerstaan, is dat dan toegestaan?

Het is juist dat bedrijven als Facebook volgens de wet als privéactoren het recht hebben om naar believen te censureren. Daarbij wordt wel de ongeëvenaarde controle genegeerd, die deze kleine groep bedrijven nu uitoefent op wereldwijde communicatie. Dat censuur binnen hun wettelijke rechten valt, doet niets af aan het grote gevaar dat dit met zich meebrengt: hun invloed in het vormgeven van ons discours. Het is niet overdreven om te stellen dat Facebook op dit moment verreweg de meest dominante factor in de journalistiek is. Het is onbeschrijflijk veelzeggend om te zien dat het bedrijf samenwerkt met een regering om woorden van de tegenstanders van die regering te censureren. Maar zoals met censuur zo vaak het geval is: mensen gaan akkoord met de toepassing ervan totdat deze wordt gehanteerd om meningen te onderdrukken waarmee zij het eens zijn of die hen aanstaan.

Een van de eerste beloftes die internet bood – en in potentie een belangrijk voordeel – was de mogelijkheid om ongelijke eenheden gelijk te stellen, om de machtelozen even vrij en krachtig als de machtigen te laten communiceren en om de politiek veel efficiënter te organiseren. Degenen die voortdurend een beroep doen op bedrijven als Facebook en Twitter om content te censureren, brengen deze waarden ernstig in gevaar. Het is moeilijk om je voor te stellen dat een scenario meer in tegenspraak is met de belofte van het internet dan Facebook-managers en de Israelische regering om te beslissen wat Palestijnen wel of niet mogen zeggen.

The Intercept (Verenigde Staten), 12 september 2016

Glenn Greenwald is jurist, journalist en medeoprichter van de internetsite The Intercept  vertaling Koen Bos